Holwierde


DE INBRAAK TE NANSUM

geschreven door dhr. Hendrik Stoppels te Nansum en oorspronkelijk geplaatst in de dorpskrant “Aan weerszijden van de Heekt” van maart 1980.

Een verhaal dat doorverteld werd van ouders op kinderen en zoals het verteld werd op het land van de boer tijdens het wieden tientallen jaren geleden. Daar ik het geluk heb dat een tak van mijn voorgeslacht hier generaties lang  heeft gewoond, wil ik nog eens proberen het verhaal van de inbraak te  Nansum uit de doeken te doen.

Het was in de winter tussen 1888 en 1898, dus lang geleden.
Op een zondagavond had de klok van Holwierde zijn klanken net laten horen en had hiermee aangekondigd dat er nog een kerkdienst was om 7 uur. Naar deze dienst gingen vaak mannen en enkele vrouwen van Nansum.
Ook ol Nikloas trok zijn jas aan en zette zijn pet diep over zijn oren want het was buiten koud. Het vroor en ook lag er wat sneeuw, maar de weg was goed begaanbaar.
De olle Nikloas was de laatste van de kerkgangers. Hij liep een beetje gebogen. Het psalmboek had hij in zijn hand op zijn rug, een beetje onder de slip van zijn zwarte jas, want anders werden zijn handen koud.
Onderweg naar Holwierde keek hij over de velden. Zag hij dat wel goed, bewogen zich daar geen mensen voort door het land van Pieter Bos?
Och nee, hij zal zich wel vergist hebben, het waren vast wilde ganzen die zicht tegoed deden aan het winterkoren van Bos.
Toch liet hem het voorval de verdere avond niet los.
Achter in de kerk aangekomen gingen de mannen aan de rechterkant en de vrouwen aan de linkerkant zitten. Even gingen de mannen achter hun pet en werd er een persoonlijk gebed gedaan.
Ol Nikloas deed dit  ook. Hij kon echter niet helemaal loskomen van wat hij had gezien en na de dienst ging hij met spoed terug naar Nansum. “Wat wil je toch kerel, zo hard naar huis terug te gaan, anders heb je ja nooit zo’n haast”, sprak Nanne, zijn overbuurman, nog tot hem. “Och niks”, zei hij, “laten we maar gauw naar huis gaan, want daar brandt de kachel”.
Thuis aangekomen bleek er niets aan de hand te zijn. Of zou hij nog even naar zijn schoonzuster gaan? Ze woonde even verder op, alleen, op haar keuterboerderijtje, dat ze na de dood van haar man gewoon door dreef met behulp van haar buurman en familie, die ook in Nansum woonden. Het huis, dat met het achterste gedeelte naar de weg stond en waar zich ook de ingang bevond, was gauw bereikt. Van de weg af zag hij al direct dat het niet zo was als anders, want de deur was uit zijn hengsels gelicht. Even stond hij stil en overdacht wat te doen.
Hij liep naar binnen; in de schuur was alles donker en stil, maar hij wist de weg naar het woongedeelte ook in het donker wel te vinden.
In de kamer was ook alles uit en dood. Of hoorde hij daar toch een zacht geschrei? Hij riep daarom: “Bist doar Aanje?”(dit was Aanje Frederiks Hageman, getrouwd geweest met Tjark Wold, overleden 26-06-1888). Nu hoorde hij duidelijk haar schreien vanuit de bedstee., waarvan de deuren dicht gespijkerd waren. Na wat wikken en buigen kon hij één deur loskrijgen, waarna hij zijn dodelijk verschrikte schoonzuster uit de bedstee kon helpen. “Kom maar eerst mee naar ons huis, dan kun je wat op verhaal komen”, sprak hij.
Onderweg naar zijn huis kwamen ze nog wat late kerkgangers tegen en zo kwam het dat even later heel Nansum op de been was.
Eén van hen moet gezegd hebben: “We gaan even alle huizen in en rond Nansum af om te kijken waar de bende nog meer is geweest”.
Zo kwam men al gauw tot de ontdekking dat men het op alleenwonende vrouwen had gemunt, want ook bij Geertruud, die haar leven lang met haar broer Fokke J. Smit (overleden 25-12-1881) op een keuterboerderijtje vlak bij de zeedijk had gewoond ( toen heette het daar nog “Rode Haan”), ook daar hetzelfde beeld.
Ook daar de nog oudere vrouw in de bedstee gestopt en bedreigd door met messen tussen de bedsteedeuren te steken om zo van de verschrikte vrouwen te horen waar ze hun geld en sieraden hadden. Want hier was het hen om te doen geweest zoals naderhand bleek. Het geld werd meestal direct omgezet in drank en voor de sieraden moest een koper worden gezocht.
Ook in ander dorpen of op afgelegen boerderijen is door deze mensen huisgehouden. Van één geval weet ik dat ze de meiden en knechten op de nog te dorsen korenvakken hebben gedreven.
Van de sieraden, die ze van de beide oude vrouwen van Nansum hebben geroofd, hebben ze geen plezier gehad. De heren hadden alles in een zak gedaan en in de gracht gegooid van de villa van de toenmalige steenfabriek van de heer Visscher. Hij woonde even buiten Holwierde aan de weg naar Krewerd aan de linkerkant. Op die plaats staan nu vier woningen voor vijf gezinnen.
Door toeval werd de zak door een ander gevonden. De heren rovers zijn mede door toedoen van ol Nikloas tegen de lamp gelopen doordat deze eens wat opving van wat een ander vertelde. En wat wilde de tijd, één van de mannen werd ziek. De dokter moest er bij komen maar deze werd eerst ingelicht door de veldwachter. De dokter moet tegen de zieke gezegd hebben: “Je bent ernstig ziek man en als je nog wat te biechten hebt, zou ik het nu nog maar doen”. En dat deed deze toen. En niet alleen bekende hij, hij gaf ook de namen door van de mannen die meegedaan hadden.
Ze zijn allen berecht op één na, die maar steeds volhield er niets vanaf te weten. Want ook toen de rechter tegen hem zei: “Man, beken toch, de broekspijpen trillen ja om je benen”, wist hij te antwoorden: “Zouden u de broekspijpen niet trillen als ze u van zoiets zouden beschuldigen”?
En hiermee was het toen afgedaan.

H.S.