Holwierde


GREPEN UIT HET VERLEDEN door W.J. Eelssema

HOLWIERDE VOORHEEN DEEL 1
Holwierde is zeer bekend wegens deszelfs toren van 103 voeten hoogte,welke aan de zeelieden bij het binnen zeilen en bij de vaart op de Eems tot een baken verstrekt en ook, uit dien hoofde thans van rijkswege onderhouden wordt; waardoor nu aan de grote klok van zes voeten in doorsnede, Stephanus geheeten, welke in 1620 is gegoten, tot droefheid der ingezetenen, het zwijgen is opgelegd. De kruiskerk heeft een belangrijk koor en, doch enkel in de zijmuren van het beneden einde van het kruis, veel tufsteen; het orgel is vrij goed. Dit kerkgebouw staat op eene hooge wierde: naast deze heeft men de wierde van Bansum.

Tot dit kerspel behooren Uitende, Klei- of Klein Wierum, Lutjeboeren, Nansum, Bansum, Katmis en het Klooster, voormaals Oldeklooster en Felwerd genoemd. Uitende was eertijds voor een derde en het voorwerk Klei-Wierum, dat op eene wierde stond (thans Klein Wierum), geheel een eigendom van de abdij van Wittte-Wierum; dit laatstgenoemde gesticht bezat zeer vruchtbare landerijen. Bij Uitende heeft men de Hooge Hal, waar, evenals bij Watum, in sommige oorlogen, een militaire post geplaatst wordt. Te Nansum plagt oudtijds de familie van dezen naam eene burg te hebben, die van veel belang moet zijn geweest.

Behalve deze, komen in vroegere, ja, in oude oorkonden de familien van Ripperda en Rengers nevens anderen voor. Bansum ligt hooger dan Nansum; men heeft van deze hooge terpen een zeer schoon gezigt, hetgene ons meermalen trof. Ban beteekent in de’ oude Keltische taal hoog en nan laag. Van Uitende langs Bansum naar Marsum loopt een oud stroompje, de Vliet genaamd en van Nansum naar het Uitwierder maar eene oude togt en schipsloot de Sijp (Siep).
Luttjeboeren ligt nog wat verder oostwaarts af, dan Nansum en nader aan den Eemsdijk: hier heeft men den heksenweg. De ruime Uiterlanden (Uiterdijken, Kwelders) of buitenndijkschelanden zijn, onder deze gehuchten, sedert vele jaren weggespoeld. Men wandelt langs de streek boerderijen aan de zuidzijde van het dorp, welke men de Lange Rijp noemt, over kostelijke groen- en bouwland naar Appingedam.

Te Holwierde staat een houtzaagmolen, waarin ook pelstenen zijn. Holwierde maakte voormaals een afzonderlijken regstoel uit. Katmis wordt door de groote Heekt, die van Bierum komt en bij Appingedam in de Delf uitloopt, van Holwierde gescheiden: hier vormen wij het dikwijls nogal levendig, de wijl de Heekt hier eene binnenhaven vormt, waarin veel turf ‘wordt gelost, en, in den zomer, eenige korenschepen der Vierbuurtser dorpen laden en lossen, uit hoofd van gebrek aan water in derzelver opmaren, het gene dikwijls te zeer afloopt, deels door de hoogere ligging en ook door het lagere peil van afstrooming.

Voorheen behoorden Katmis, Kreewerd, Siboldeweer en Nes tot een der twee vierendeelen van het Wijdwerder regt, het ondervierenaandeel namelijk. De burg is er, evenals te Nansum en te Uitende, verdwenen, doch de hoge wierde blijft nog steeds merkwaardig, benevens net pad, dat men nog den blaauwen gang noemt: ook verhaalde men ons, dat zich aldaar weleer eenige heidenen in een hol hebben opgehouden. Een korenmolen staat nevens deze terp. Wij bezochten meermalen Feldwerd of Oldenklooster, waar eertijds eene aanzienlijken abdij van de Benedictijner orde stond, zijnde een mannen- en vrouwenconvent, gewijd aan St. Petrus en St. Paulus: Het nonnenconvent was gesticht door Hatebrandus in 1183, (de mannenkloosters kwamen veel later op) die ook bovendien de vader werd van een ander klooster onder Garmerwolde. In 1408 was de losbandigheid en verdorvenheid, vooral in deze dubbele kloosters, verbazend groot, blijkens eene bulle van den paus Gregorius.

Deze abdij bezat meer dan 1100 grazen lands, behalve andere eigendommen. Er is nog een gedeelte van een Mr. Keizer te Groningen, lid van het blaffert van voorhanden bij den Heer collegie der Heeren Gedeputeerde Staten dezer Provincie.’ Tot zover het eerste gedeelte van de kiek van Holwierde in 1837. Volgende week de rest.

W.J. Eelssema

DEEL 2
Het zal verschillende mensen mogelijk wel een beetje wonderlijk in de oren klinken, wanneer er hier gezegd wordt, dat het in bepaalde opzichten een geluk voor Holwierde is geweest, dat de kerk in de bevrijdingsdagen werd beschadigd. Het ligt natuurlijk voor de hand dat velen dat liever niet wilden. Maar nu het feit daar ligt, is het toch zo, dat de kerk van Holwierde vooruit is gegaan, nadat de restauratie was voltooid.
In het eerste artikel werd geschreven, da  de kerk genoemd werd in 1247, toen er sprake was van een interdict. Gevaarlijk zou het zijn, hierruit te concluderen, dat de kerk omstreeks deze tijd was gebouwd. Het benedendeel van de schipmuren, bestaande uit tufstenen, leert ons, dat het tegenwoordige gebouw van veel oudere datum moet zijn.
In het boekje “Voorheen en thans” schrijft Ferré Jacobs o.a.: ,,Wat de oudste kerken betreft, is het ons gebleken uit verscheidene oude werken, dat ze door den oorlog verwoest, of door nieuwe en ruimere kerkgebouwen van gebakken steen zijn vervangen. Intussschen zijn er ook nog vele in ons geewest over, aan welke tufsteen gevonden wordt, en die we daarom tot de oudsten en eersten mogen rekenen, zooals te Uitwierde (aan den toren), Holwierde, Godlinze, Tjamweer (eenige), ‘t Zandt (eenige) en te Leermens (veel). Volgens aanteekeningen bestaat de Kerk te Holwierde uit een oud en nieuw gedeelte. Het westelijk gedeelte van het Kruis tot de hoofddeur is dan het oudste, gebouwd als het is in Romaanse stijl, met rondbogen en van tufsteen. Men veronderstelt dat dit gedeelte vroeger de kerk is geweest, dit gedeelte hooger opgetrokken en is ‘t heele Kruis met Koor er bij gebouwd van gewone kloostersteenen in den  Gothischen stijl. De vroegere Kerkglazen waren in lood gezet. Op alle glazen bevond zich prachtig schilderwerk. In 1834 is de Kerk voorzien van een nieuwe zolder en balken. Toen was alles in de kerk wit. Naast de preekstoel, op een afzonderlijk stuk snijwerk, van den leuning der stoel, stond een zandlooper, die zooals we bij Jukwerd opmerkten, den tijdduur der prediking aangaf. Tot zo ver Ferré Jacobs.
Wat hier  als waar werd aangenomen, werd door dr. M. D. Ozinga in zijn “De Nederlandsche Monumenten van geschiedenis en kunst” op een voorzichtiger wijze verwerkt in het volgende fragment: “Deze oorspronkelijke of althans vroegere kerk werd verhoogd en verbouwd tot een overwelfde romano-gothische kruiskerk met dwarspand en vooral koor van een reeds volkomen gothisch karakter. Desniettemin kan de bouwdatum van dwarsarmen en koor, die in verband zijn gemetseld en soortgelijke profielen vertoonen, slechts  weinig uiteenlopen. Op grond van deze overwegingen komt men tot beneden veronderstellenderwijs gegeven dateringen.
De schipgewelven zijn in 1825 (van der Aa) of 1834 (Ferré Jaçobs) door een houten zoldering vervangen. De overige uiterlijke wijzigingen van de kerk, eenige verlaging der muren en slooping der dwarspandtoppen, wat gepaard ging met een verlaging der dakhelling bij het aanbrengen van een nieuwe bekapping, schijnen in 1896 te hebben plaats gevonden, volgens de herinnering ter plaatse en de groote posten in de kerkberekening van dat jaar.
Uit bovenstaande blijkt wet overduidelijk, ‘dat men voorzichtig moet zijn met het trekken van conclusies in de geschiedenis, wanneer men niet absoluut zeker isvan zijn zaak.
De volgende keer meer over dit interessant kerkgebouw.

W.J. Eelssema

DEEL 3
Wanneer men de grote kerk in Holwierde ziet, zoals ze daar, aan alle kanten vrij, dan moet men wel constateren, dat het een prachtig gebouw is. Maar toch is het, alsof er iets aan ontbreekt. Men realiseert het niet onmiddellijk, maar dan weet men het: Het is het ontbreken van een toren! De betrekkelijk kleine torentop,zoals men die momenteel ziet, is toch waarlijk niet representatief voor de machtige kerk.
Eens is dat anders geweest. Eens stond er een grote toren ten zuiden van de kerk en wel geheel vrijstaand. Over deze toren vertelt Ferré Jacobs het volgende: “Nog dienen we, voor we ‘t kerkgebouw verlaten, mede te deelen, dat zich boven de deur aan de Westzijde een schild bevindt, dat er zeer netjes uitziet en waarvan we het volgende noteerden; “Anno Dni 1567 is dit uuhrwarck mit de laterne gemaeeket, do de erwerdige heer Lambertus Knasse pastoer, und de erbare Occo Haijes Arent Gerrys, olde Steven Smit Kerckvogeden weren in der tyt”. Deze steen bracht ons als van zelf met onze gedachten naar den toren van Holwierde. Hier volgt wat een 85-jarige landbouwer ons mededeelde. De vroegere steenen toren stond op eenigen afstand van de kerk, niet ver van de oude pastorie en diende als baak in zee. Toen dit gevaarte, want dit was het terecht, begon te hellen naar ‘t Zuiden, werd er 100 voet afgebroken en bleef er 107 voet staan. De toren is toen door ‘t Rijk overgenomen; die het gebouw liet voorzien van nieuwe balken  en zolders. De hoogte werd weer gebracht op 207 voet; de top gedekt met lei. Maar nadat op zekeren tijd door wind een groot aantal dezer leien werd afgeworpen, werd de toren met zink gedekt en aan de hoeken met koper.
Men mocht den toren toen, zoals men het uitdrukte, “mooi” noemen. In 1836 op den 29 Nov., ‘s avonds tussschen 7 en 8 uur, viel, door een geweldigen storm, de geheele spits naar beneden. Dat was voor het dorp een tijd, hoe kort ook, van grooten angst. Er kwamen echter geen dooden. Men heeft toen de toren dicht gemaakt. Van de 2 klokken was een zoo groot, dat 6 man die moesten luiden. De toon was bij uitstek krachtig en schoon en zeer ver in den omtrek kon men ‘t statig geeluid horen. Deze merkwaardige klok is toen na ‘t sloopen van den ouden toren, in 1855, verkocht voor f 3000 aan de familie van Rijn. Op deze kolossale klok stond het volgende rijmpje:
“Stephanus ben ik gehieten.
‘t Kerspel Holwierde heeft mij laten gieten”.
Daarna is een nieuwe toren van oude steenen aan de kerk gebouwd met spits. Dit werk kostte f 2400 plus een som voor overbouw. In de archieven is over dit laatste, merkwaardig genoeg, niets te vinden”. Tot zover Ferré Jacobs.
Het bovennstaande is al bijzonder interessant, omdat er een verhaal van een oogggetuige in verweven is. Dit is nu niet meer mogelijk, omdat het gebeurde reeds te ver in het verleden ligt.
De toren was geheel uit steen opgetrokken en werd in 1807 door het Departementaal bestuur tot op de helft verlaagd. In plaats van de stenen spits  kwam er toen een houten, die zoals boven reeds werd aangegeven door een storm op 29 november 1836 verloren ging. Volgens een met 1835 beginnende boek van uitgaaf en ontvangst van de kerkmiddelen is daarop in mei en in oktober 1854 het restant verkocht aan E. T. Grashuis en wel voor de som van 3750 gulden. In december van hetzelfde jaar volgden daarna de fundamenten van de toren voor f 400. Hierrmee was het lot van de toren beslist en werd Holwierde een historisch monument armer.
Men kan dit betreuren, maar daar tegenover staat toch ook weer het belangrijke feit, dat men in Holwierde  een kerk heeft, die men met trots kan laten zien. Niet alleen om de grote historische waarde, maar ook om het feit, dat deze kerk zo goed verzorgd is. En dat niet alleen, nadat de oorlogsschade hersteld was, maar ook daarvoor. Als men de verwaarlozing van verschillende andere kerken daarmee vergelijkt, dan maakt de kerkelijke gemeente van Holwierde een zeer goede beurt. Al moest Ferré Jacabs dan ook in 1909 schrijven: “De kerkelijke gemeente had vroeger veel geld, maar ook hier is, evenals in vele andere gemeenten veel verloren gegaan door verkeerd beheer. De finantien zijn thans nog goed te noemen”.
Over het bovengenoemde schild valt nog te vermelden dat het blijkbaar van een andere plaats afkomstig is, dat het gevat is in een Vredeman – de- Vries-omlijsting en twee hangende wapenschilden heeft, waarop de wapens van Ripperda en Twickelo.

W. J. Eelssema

DEEL 4
Aan de voorkant van de galerij, waar het nieuwe orgel staat, valt te lezen: ,,1945, De kerk gehavend door krijgsgeweld is door offers van de gemeenschap in luister hersteld 1950″. Dit is een herinnering aan het oorlogsgeweld, dat over Holwierde werd uitgestort gedurende de bevrijdingsdagen. Iets, maar weinig.
Persoonlijk zou ik het zeer op prijs hebben gesteld, wanneer, gelijk onze voorouders het deden, verschillende namen van het kerkbestuur waren vermeld. Men heeft dit wel gedaan bij het orgel. Ik herinner me een bezoek aan deze kerk na de bevrijding; toen er nog een klein orgel stond, het grote nog ernstig was beschadigd. Nu is er een nieuw orgel. Werkelijk, wanneer men zo een en ander nagaat, dan moet men wel tot de conclusie komen dat er in Holwierde een goed kerkelijk leven is. We hadden graag de samenstelling van dit orgel willen zien, vonden een gesloten deur voor de toegang.
Dit orgel heeft ook een opschrift over zijn herstel, echter gesteld op een wijze, die het voor een leek voor een gedeelte onverstaanbaar maakt. Het oude orgel is in 1828 hersteld en in 1924 vernieuwd.
Over het jaar, dat de schipgewelven door een zolder werden vervangen, verkeert men in het onzekere. De een noemt het jaar 1825, de andere 1834. Wat het ook mag zijn, in die
tijden is men hoogstwaarschijnlijk tot de blauwgeverfde zoldering gekomen. Een kleur, die eigenlijk niet op zijn plaats is in deze zo stemmingsvolle omgeving.
Men kan dit betreuren, evenals het feit dat de banken werden geschilderd in een grijze kleur, die vreemd afsteekt tegen de preekstoel en de banken daar rond.
Wanneer men voor de grijze banken staat en kijkt naar de preekstoel met haar omgeving dan zou men zich jaren terug kunnen denken. De preekkstoel staat geplaatst tegen een eiken oksaalvormige afsluiting van het koor en heeft siertros-kussen panelen tussen getorste Korinthische zuiltjes. Welke onbekende schrijnwerker heeft dit fraaie blijk van zijn kunnen gegeven. Zoals dat ook het geval is bij de mooie banken, die aan weerszijden van de preekstoel zijn geplaatst. Er zijn twee bij met geprofileerde panelen, waarvan in het voorschot het jaartal 1559 en wapens van Scheltkema en een onbekend met twee tegen elkaar  klimmende uitkomende leeuwen. Verder een overhuifde bank. Hierbij te  noemen zijn nog een tweetal eiken-houten banken, die tegenover de preekkstoel staan en een bolpoottafel.
Vanaf het ontstaan van de kerk tot heden is Gods Woord hier verkondigd. Sedert de reductie in deze provincie zijn er in de beroepsbrieven van de predikanten verscheidene collatoren vermeld. Als primaire collatoren funngeerden echter de heren van Stedum Everhard Frederik, Baron van Lintelo en daarna Jan Harman Gerlacius.
Vanaf de reductie tot ruim 1900 zijn de volgende predikanten in Holw ierde geweest: 1595 Johan Meerdijk de Graafia, die voorheen katholiek priester was. 1599 Johan van Laxten, beroepen van Siddeburen en in 1622 diens z0on Johan van Laxten, die in 1644 overrleed en de eerste predikant is geweest, die ook Marsum bediende. In 1646 werd van Thezinge beroepen Emanuel Gemminga, overleden in 1681. Als opvolger kwam Beno Uden, beroepen van Tolbert en overleden 1718. Johan Rijpma kwam in 1720 en overleed in 1757.
J0han Bulthuis, die zijn opvolger was, vertrok in 1773 naar Wirdum in Friesland, waarna Aerm. Edelinck kwam. Behalve van eerstgenoemde en de predikant, die naar Wirdum vertrok, vindt men de graven van bovengenoemde predikanten in het koor. Al weer het bewijs, dat men uit de zerken vaak ‘n  stuk geschiedenis kan opmaken en wel betrouwbaarder dan in menig boek.  Zo wordt de naam Laxen wel eens in de geschriften Lanten, maar kan men er toch wel van overtuigd  zijn, dat op de zerken de juiste naam vermeld staat.
Van 1820 to 1827 was Holwierde gecombineerd met Uitwierde. Predikant was toen Fokk0 Mees, die 0p 1 juli 1827 bij  ‘t opheffen van de combinatie beroepen werd in Holwierde en in 1850 overleed. Hierna kwam J. M. Doorenbos van Garsthuizen. Hij overleed 10 juni 1900 en werd opgevolgd door Johannes Willem Hannema, die van Augustinusga kwam.
Hiermee besluiten wij de rij van predikanten uit Holwierde. Mocht er belangstelling voor bestaan, dan kan dezer lijst ter zijner tijd verder vastgesteld worden. Tot heden, nu ds. Juckema het ambt te Holwierde vervult.

W. J. Eelssema

Deel 5
Wanneer men zo door het dorp Holwierde fietst, dan ziet men, dat men zich hier van de oorlogswonden heeft hersteld. Niets herinnert meer aan het geweld, dat over het dorp ging. Er zijn een paar industrieën gevestigd en verder zijn er twee scholen, waar de jeugd van Holwierde wordt onderwezen, met of zonder instemming van de jeugd zelf.

In dit laatste artikel over Holwierde wil ik eens stil staan bij het onderwijs in het grijs verleden. Dit onderwijs heeft niet altijd in een goede reuk gestaan. K. ter Laan heeft de uitgave verzorgd van een wonderlijk boekje dat over de onderwijzers in het Groninger land handelt. Het is Olipodrigo, wat zoveel betekent als mengelmoes. Bovendien is het bekend als ‘t Malle Kosterboekje. Het is een schotschrift op de kosters van het Groninger land. Met kosters worden bedoeld de onderwijzers, die voor het grootste deel ook kosters van de kerk  waren.
Eigenlijk is het een onsympathiek boekje. Onder het mom van “het beste met de onderwijzers voor hebben”, worden hier in verschillende gedichten deze mensen gekraakt. En het meest onsympathieke is nog wel, dat er in het hele boek geen enkele meester  is die de goedkeuring van de schrijver kan wegdragen. Op een elk heeft hij wat aan te merken.
Over Holwierde’s koster wordt het volgende gedicht:
De coster tot Holwier’can al te schandigh liegen,

En soeckt door vasche  reen een ander te bedriegen:
Hij is nu al wat oudt en telt vrij menig jaar,
De bloemen van het graf bespeurt men aen sijn haar.
t Is schande, dat een man van sulcke oude dagen
Stelt in bedriegerij  zijn uiterste behagen.
In kennis is hij slecht en even als de rest
Is hij de slimste niet,  hij is oock geenszins best.
Het zal in die tijd werkelijk niet rooskleurig zijn geweest met  het onderwijs maar dat was o.i. nog geen reden om de arme kosters zo over de hekel te halen.
Arme kosters? Zeer zeker! De beloning, die zij, die ook de jeugd moesten onderwijzen genoten, was niet bepaald royaal. Het schoolgeld voor de kinderen bedroeg 5 cent per week en wilde men ook leren schrijven dan bedroeg het zeven en een halve cent per week. Waren alle kinderen in het dorp nu maar naar school gegaan, dan was het inkomen van de onderwijzer mogelijk dragelijk geweest. Maar er bestond nog geen wet, die schoolgaan verplicht e en in de zomer, wanneer de kinderen  een handje konden helpen in de landbouw, zag de onderwijzer zijn jeugd vaak tot enkele kinderen beperkt. Men begreep dan ook, dat een onderwijzer niet zo veel verdiende, dat hij en zijn gezin er van konden leven. Daarom combineerde men het ambt van onderwijzer met dat van de koster. Als beloning voor de laatste functie, kreeg hij soms land in bruikleen. Maar daar de huren laag waren, hielp dit ook al weer niet veel. Neen, koster te zijn, was niet bepaald een lucratief baantje.
Het is wel interessant hierbij aan te tekenen, dat men in Groningen de onderwijzers ook kosters noemde in de nabije tijden die dicht achter ons liggen. Het grote publiek scheldt een onderwijzer nog wel eens uit voor ” verwoande köster’ zonder daarbij te bedenken, dat men zich daarmee zelf het  brevet van onbeleefd te zijn geeft. Onbeleefd en onbeschaafd. Nee, de onderwijzers in Holwierde en in andere plaatsen hadden niet bepaald een glorieus bestaan. Dat kan men begrijpen, wanneer men weet dat  het jaarsalaris van een onderwijzer in Holwierde in 1855 slechts f  385,23  bedroeg. Toch scheen er nog altijd veel animo voor de betrekking van onderwijzer. Op 2 augustus 1842 werd H. J.  van Belkum benoemd tot onderwijzer in Holwierde. Hij overleed op de 25e  december 1870 en van hem wordt verteld dat hij een groot aantal jonge mensen voor onderwijzer klaar stoomde. De heer P. Kuipers, die na hem kwam,  heeft deze traditie voortgezet en werd later directeur van de Rijksnormaalschool te Appingedam.  De oude en eerste school te Holwierde stond ten zuiden van de kerk en was zeer primitief ingericht. Later, in 1909, had de school 3 lokalen en zoveel leerlingen dat er aan de school een onderwijzer en een onderwijzeres verbonden waren. Kent men de onderwijstoestanden van tegenwoordig in Holwierde, dan kan men toch wel constateren, dat er op dit gebied veel verbeterd is.

W. J. Eelssema