Holwierde


DE OORLOG TE HOLWIERDE
in de maand april van het jaar 1945, gezien en meegemaakt vanuit de pastorie

Vanaf 5 januari tot 6 april zaten er Duitsers in Tabor (het kerkelijk verenigingsgebouw) alsmede in beide scholen, café De Boer en café de Jong. In de particuliere huizen van Evenhuis, Bleeker, Veerman en nog vele anderen zaten ze ook.
Behalve op Batterij Nansum met 120 soldaten, lagen er nog 180 in het dorp.
Op 6 april vertrokken zij, ordelijk opgesteld in zingende groepen. Ook uit de verder gelegen dorpen kwamen ze door Holwierde om aldus naar Groningen te vertrekken. Samen ongeveer 2000 soldaten, met hun bepakking op gevorderde boerenwagens.

Tabor zag er vreselijk uit. Het portret des Führers zag op een onbeschrijfelijke wanorde neer. Het fietsenrek was opgestookt. eierdoppen, etensresten en ander afval zwierf overal rond. De W.C. was overgelopen, hetgeen een onaangename geur verspreidde door het hele gebouw. De bedden, dekens, etc.. bevonden zich er nog in. Het gebouw was nog niet vrijgegeven, zodat wij ons er niet in durfden vertonen. Na een clandestien kijkje namen we weer gauw de benen.
Het was een grote opluchting dat de moffen weg waren. Het gezang, waarop wij anders van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat getrakteerd werden, was nu verstomd. Niet langer klonk het:

Die Matrosen singen und die Klange klingen
und die Schläge fällen ein
…. Was soll das Leben
Uns Lustiges geben?
Wir wollen glücklich sein!

Inmiddels betrokken enkele soldaten van de batterij Nansum de wacht in het dorp en wel voor ons huis en bij de brug en de weg op de hoek bij de boerderij “Oosterfeldwerd”. Op deze plekken waren er springstoffen geladen in het wegdek.
Tijdens het weekend van 7-10 april logeerde Els hier. Wij wilden haar haast niet naar Groningen terug laten gaan, omdat de geruchten luidden, dat de geallieerden Groningen naderden. Inderdaad waren in de Damsterweg reeds landmijnen gelegd, waarbij een Duitser stond die mij verzocht er tussendoor te lopen en er niet op te trappen. Ook waren hier en daar versperringen aangebracht. Toch is Els vertrokken en goed en wel in Groningen aangekomen.

Sedertdien waren wij praktisch geïsoleerd. Kranten verschenen niet meer, de post werd niet bezorgd. Of er iemand nog een radiotoestel bezat hielp niet want er was geen elektriciteit, radiodistributie was er dus ook niet.

Woensdag 11 april.
Reeds enige weken eerder waren verschillende kampen van de Nederlandse Arbeidsdienst naar het noorden verplaatst. O.a. naar Spijk, Roodeschool en Uithuizen.
Op 11 april kwamen al deze kampen door Holwierde op Delfzijl aan, om vandaar ingescheept te worden naar Emden.
Lange files gevorderde boerenwagens met vracht, honderden jongens bewaakt door kaderleden met revolvers en handgranaten.
Van deze jongens zijn er te Delfzijl honderden gevlucht, hebben bij de mensen om burgerkleding gevraagd en zich in de omgeving schuil gehouden.
Zelfs kaderleden ondernamen ditzelfde. Ja, en ook vele Duitse soldaten. Deze boden openlijk geld aan de burgers om burgerkleding te kunnen krijgen.
Nog maanden later vond men overal weggeworpen wapens.

Donderdag 12 april.
Het werk van de Organisation Todt werd stilgelegd en het Strafkamp Spijk opgeheven. De opgepakte onderduikers( de “bewoners”) werden merkwaardigerwijze zonder meer vrijgelaten!

Vrijdag 13 april.
Burgemeester Klaas Brontsema en 2 moffenofficieren vorderen onze suite. Wij moeten daarin 3 slaapplaatsen gereedmaken voor vrij “hoge” officieren. Haast iedereen in het dorp zou aldus inkwartiering krijgen. Zelfs hele huizen werden gevorderd. Dit alles omdat de generale staf van generaal Christiansen in de gemeente Bierum zou komen. Een geweldig af en aan rijden, de hele dag door; ‘s avonds laat bleek echter de hele zaak niet door te gaan.
Veel leven om niets …..
Die dag zagen we meer en meer n.s.b.ers naar het noorden vluchten: groepen landwacht, soms wagens met huisraad en hele gezinnen er bovenop, en ook allerlei gewapende burgers. Vaak pauzeerden zij besluiteloos bij de wegwijzer voor ons huis, niet wetende waarheen ze zouden gaan.
Voor enkelen werden kamers gevorderd in Holwierde, maar de volgende dag trokken zij toch weer verder naar het Noord-Westen.

Zaterdag 14 april.
Helaas, de Duitsers komen in ons dorp terug en met nog veel meer dan eerst! Groepjes Grenzpolizei, Flak, e.d. die eerst flessen jenever leegdronken aan de kant van de weg en daarna in Tabor, de scholen en op alle boerderijen onderkomen zochten.
Daar er niet meer voor hun gezorgd werd, verschaften zij zich voedsel aan door roof.
Een stroom van volgepakte wagens, vracht- en andere auto’s en motorfietsen bewoog zich in de richting Delfzijl, waar alle straten vol kwamen te staan met voertuigen.
Het bleek dat de stad Groningen reeds werd aangevallen en dat het wegens opgeblazen bruggen langs het Damsterdiep niet m0gelijk was om in Delfzijl te komen, dan over Holwierde.
‘s Nachts konden wij in de richting van Groningen frontvuur (verlichting door schijnwerpers) en branden waarnemen. De hele nacht hield de stroom van voertuigen aan; soms ook weer in omgekeerde richting.

Zondag 15 april.
Dat de mensen in een onrustige stemming waren, bleek uit het feit dat het kerkbezoek matig was.
Een laatste file karren en auto’s verdween in de richting Delfzijl. Men zag ook soldaten alleen of in kleine groepjes op damesfietsen zonder banden, op autopeds, of te voet strompelend van uit de richting Groningen komen.
Die nacht sliepen wij met onze kinderen in het achterkamertje, gedeeltelijk gekleed. Maar er gebeurde niets anders dan dat de batterij Nansum een tijdje schoot in de richting Oterdum.

Maandag 16 april.
Repping (onze Limburgse evacué  uit Venlo) maakte onze kelder tot schuilplaats door het stutten van palen onder de balken. Boer Bos bracht stropakken, die voor de kelderramen werden geplaatst. Reeds ‘s middags vluchtten we even in deze schuilplaats omdat geallieerde vliegtuigen een aanval deden op de batterij en op schepen op de Eems.
Burgemeester Klaas zagen wij thans in het kostuum der S.S.(d.w.z. een deel van het moffenleger speciaal uit nazi’s bestaand). Overigens was het die dag merkwaardig stil. Slechts vanuit de richting Emden dreunde zwaar geschut.
Ik moest voor werkzaamheden in Appingedam zijn, maar ik werd er niet meer toegelaten.

Dinsdag 17 april.
Wij haalden de spiegelruiten uit de kozijnen van de slaap-en woonkamer, omdat we inzagen dat deze, bij het opblazen van de weg voor ons huis stellig springen zouden. In dekens gewikkeld werden ze voorzichtig achter het dressoir in de achtersuite geplaatst.
‘s Avonds kwam er een Duitse Rode- Kruis man vragen om onze kamers als verbandplaats te mogen inrichten. Merkwaardigerwijze VROEG hij, en vorderde niet. Hij schilderde de voordelen die dit voor ons zouden opleveren, als wij een Rode -Kruisvlag op het huis zouden krijgen. Bij nader inzien ging het allemaal niet door. ‘s Middags kwam er een stoet van ongeveer 20 wagens door het dorp met zo’n 300 Nederlandse gevangenen. Zij waren uit het concentratie kamp Wilhelmshafen (als politieke gevangenen) teruggestuurd om hier te worden losgelaten.
Het was een buitengewoon aangrijpend gezicht deze uitgeteerde mensen te zien. Velen zaten wezenloos te staren, anderen toonden zich erg blij weer in het vaderland te zijn. Er was één wagen waarop alle gevangenen plat lagen, te zwak zelfs om hun hoofd op te tillen. Allerhande mensen zag men op de wagens.
Door hun uniformen waren politieagenten, postbodes en spoormannen herkenbaar. Er bleken ook drie dominees bij te zijn.
Op iedere wagen waaide een grote Rode -Kruisvlag of een witte vlag. De stoet werd begeleid door zwaargewapende Duitsers met ongunstige tronies gezeten op motorfietsen. Achteraan kwam nog een auto met moffen, van wie er één aanstalten maakte om op ons, het “publiek” te schieten. We stoven uiteen, wat een brede grijnslach op het gezicht van de schutter teweeg bracht.

Woensdag 18 april.
In Holwierde zelf gebeurde er niets bijzonders. De geallieerden bombardeerden schepen, die zich in de nabijheid van Borkum bevonden.

Vreemde toestand aan het front, dat zich ongeveer bij Garrelsweer bevond. Men kon n.l. van hier in het bevrijde Groningen komen en omgekeerd. Het eerste deed b.v. zuster de Vries, wie de grond wat heet onder de voeten werd; het tweede deed Pieterman, die uit een Duits strafkamp was bevrijd en naar huis verlangde. Wanneer men bepaalde achterafweggetjes benutte was de reis heel gemakkelijk.
In Ten Post lagen de Canadezen aan de kant van de weg te slapen, in Loppersum de moffen. Daartussen was niets. De grootste toer was slechts, dat je fiets niet door een mof werd afgepakt.
Wij hadden ook nog wel weg willen gaan met het oog op Lies’ haar vergevorderde zwangerschap. Maar hoe moesten we helemaal in Groningen komen met de kinderen?
Trouwens, ook wilde ik de gemeente niet in de steek laten. Bovendien wist ieder, dat als je je huis verliet de Duitsers erin trokken en alles zouden vernielen.
‘s Middags had ik te Bierum een bespreking met de collega’s om vanwege het IKO een inzameling te houden van voedsel en kleding voor die vrijgelatenen uit Wilhelmshafen, die het zwakste waren en die nu in het Noodhospitaal te Spijk werden verpleegd. De sterkeren waren n.l. al verder gegaan.

Donderdag 19 april.
Ik ben voor het IKO rondgegaan bij ongeveer 60 huizen.Er is veel gegeven.

Vrijdag 20 april.
Voortdurend schiet de batterij Nansum over onze hoofden heen in westelijke richting. In de middag wordt het geallieerde geschut steeds beter waarneembaar. De Duitsers laten de bruggen over het Krewerder Maar en over het Spijkster Maar (tussen Godlinze en Losdorp ) in de lucht vliegen.
‘s Nachts komt er van slapen niet veel. Niet alleen de opwinding maar ook de batterij houdt ons uit de slaap met zijn geweldige knallen .. het vuur wordt beantwoord door het zachter klinkend tankgeschut van de Canadezen; we horen de granaten te Nansum inslaan.

Zaterdag 21 april.
‘s Morgens zagen we de grote brand van de boerderij van G. Elema. Deze, lid van de ondergrondse, is, zoals later blijkt,door de moffen doodgeschoten. Daarna hebben zij de boerderij in brand gestoken. Klaas Brontsema, onze burgemeester, heeft de aanzet tot dit drama gegeven.
Overdag en ‘s nachts veel geschut over en weer. De wegversperringen in het dorp naar Krewerd, Bierum, Uiteinde, Appingedam en Nansum worden alle gesloten.
‘s Nachts worden 2 Duitsers op wacht bij de Christelijke School door een Canadese patrouille gedood.

Zondag 22 april.
De godsdienstoefening w0rd slechts door 25 mensen bezocht. De De versperringen en de schrik hielden hen tegen. Ik hield een half uur dienst. Ondertussen liepen Duitse soldaten, die een uitkijkpost op de toren hadden door de kerk. Er liep een telefoondraad door de hele kerk en via de zijdeur naar buiten. Er was steeds veel geschut over en weer.
‘s Middags zien we geallieerde tanks over de Bierumerweg rijden in de omgeving van” Grote Nes” (afstand ong. 20 minuten). Nansum schiet er heftig op. Uit elke granaattrechter stijgt een zandwolk omhoog.
De eerste huizen in ons dorp krijgen treffers. De eerste boerderij (van Zuidveld) brandt af. Voortaan zouden dagelijks boerderijen afbranden!
Tegen de avond komen de families van Room Bos en Keur bij ons, om eventueel van onze kelder gebruik te maken. Zij slapen op de studeerkamervloer.

Maandag 23 april.
De hele dag veel geschut. Tegen de avond wordt het nog erger.
De familie Kamphuis en Dieuwerke en Pieterke Riepma met de oude Annechien Smit komen nu ook bij ons. Zo “slapen” wij die nacht met 20 man in de kelder.

Dinsdag 24 april.
Vanaf 12 uur ‘s nachts wordt het schieten van batterij Nansum, Borkum en vanaf 6 kanonneerboten op de Eems verschrikkelijk. Aan alle kanten rondom ons slaan de granaten in. Eén granaat slaat in het dak, zodat het “ringzoldertje ” geheel verwoest wordt. Het plafond van de slaapkamer is geheel doorgebogen en het hele huis is van binnen door een dikke laag rood puin bedekt. Vanuit de gang kijk je nu in de blote hemel. De meubelen van de familie Klasens uit Delfzijl, die op de zolder waren opgeslagen, zijn volledig vernield, evenals 2 ronde tafeltjes, een fauteuil, en boeken van onszelf.
Zo goed als geen ruit in ons huis bleef heel, vooral toen ook nog de brug over de Heekt in de lucht vloog.
Heel Holwierde bood een ruïneuze aanblik.
Vijf burgers werden die nacht gedood door de gevechtshandelingen.
Ook overdag konden wij de kelder haast geen ogenblik verlaten. Zo gingen we een nieuwe nacht in.

Woensdag 25 april.
Om 0 uur werd ik opgehaald door 2 moffen en in gijzeling genomen met 24 anderen in de kerk. Er zou door partizanen geschoten zijn. Wij verwachtten in de morgenuren gedood te zullen worden en brachten de uren door in gebed.
Het was in de kerk zeer tochtig doordat alle ramen stuk waren. De maan gaf een spookachtig licht in het gebouw, dat reeds zeer geschonden was. Op veel banken, in de verwarmingskelder, onder de preekstoel, in het zuidertransept en op de zolder lagen vele Duitsers te slapen. Vanaf de toren werd voortdurend getelefoneerd. Moffen met het geweer in de aanslag liepen langs de rijen banken om ons te bewaken. Ook als wij “naar achteren” moesten, ging er een mof mee ter bewaking. Ik zat nog in angst wegens de bevrijdings-afkondiging van de Synode, die ik in mijn zak bij me had, maar wist die op een onbewaakt ogenblik in een kerkboekje te moffelen. Ik meende achter mij ook een meisje als gijzelaar te zien zitten; maar toen het lichter werd, bleek het Teije Houwerzijl te zijn, die lang was ondergedoken en wiens haar zo lang geworden was.

‘s Morgens om 7 uur werden wij echter vrijgelaten, Gode zij dank. Aangezien er een gevechtspauze was liep heel de bevolking met witte vlaggen, en bepakt en bezakt op straat om te proberen weg te komen. Het heette dat de Duitsers het verzoek om te vertrekken in overweging namen, maar het werd tenslotte toch niet toegestaan. Toen het schieten weer begon vluchtten velen onze kelder in.Voor en na verdwenen ze om weer naar hun eigen huis te gaan. Tenslotte waren we ouwe Annechie , Dieuwerke en Pieterke kwijtgeraakt, maar herbergden tot aan de bevrijding: C. Repping en zijn vrouw H. Repping-Xhofleer ( die beiden vanaf 20 januari 1945 als Venlose evacués bij ons in de pastorie woonden) en hun zonen Nol en Sjang. Verder Kamphuis met vrouw en baby, Keur met zijn vrouw en dochter Pie, Room Bos met vrouw en Linie en oude opa Bos, evacué Annie Berhenne uit Venlo en tenslotte oude Windt en zijn vrouw. Samen 21 personen, met ons gezin van 4 personen meegerekend.
Wij hadden weinig te eten: op een stil ogenblik sloop ik naar bakker Kugel om ‘n roggebrood te halen. Dit mocht evenwel niet! Niemand mocht buiten komen, ja het was zelfs niet gewenst zich voor het raam te vertonen aangezien de Duitsers zeer nerveus en achterdochtig waren. Binnenshuis liepen we veelal gebukt.
Bos en Keur staken elke dag de weg over om koeien te melken.
Zo kookten we elke dag pap. Maar soms was de kachel net aangemaakt als plots het schieten weer begon en we weer een paar uur de kelder in moesten. De kachel was dan natuurlijk al lang uit. Het verspinterde zoldertje leverde ons hout in overvloed. Ja, nog maanden daarna stookten wij ervan.
Bos zorgde voor carbidverlichting, andere buren voor boter enz. Maar veelal waren ze hierbij te laat, aangezien de mof in alle leegstaande huizen trok en daaruit alles opat, opstookte en het beddengoed gebruikte en bevuilde.
Reeds dinsdagmorgen was de westelijke helft van ons dorp tot aan de brug ( het z.g. “Katmis”) door de Canadezen veroverd. Misschien is er woensdagavond een patrouille Canadezen over de Heekt gekomen. In elk geval lagen rondom ons huis vele Duitsers. Ze hadden bij de voordeur een mitrailleur opgesteld. Wij zaten in ademloze stilte te luisteren naar de commando’s, die vlak voor ons kelderraam gegeven werden:”Los, Feuer, Schiessen!” Toen dit bevel maar ” steeds niet werd opgevolgd; ” Verdamte Männer, schiess, pang, pang, feuer, feuer!” Even ratelde de mitrailleur, maar toen werd het weer stil. Er gebeurde niets.
Op zeker moment sprongen er twee Duitsers door het kapotte keukenraam naar binnen. Zij beweerden bevel te hebben gekregen ons huis te bezetten om van daaruit op de geallieerden te schieten. Dit laatste beloofden ze echter niet te doen. De oorlog voort te zetten was gekkenwerk: “Für uns ist es Schluss; wenn der Tommie kommt, werden wir uns ergeben.”

Donderdag 26 april.
Tijdens de gehele dag en de gehele nacht zwaar artillerievuur over en weer. Verschillende boerderijen worden in brand geschoten. De stank die overwaait is vreselijk, evenals het geloei van de koeien in doodsnood.
Steeds hopen we op twee dingen: 1. dat vliegtuigen de batterij Nansum gaan bombarderen en 2. dat de geallieerden een brug over de Heekt zullen slaan.
In de kelder hebben we matrassen op de grond gelegd,waarop we in een paar rijen, mannetje aan mannetje slapen. Maar dat laatste lukt niet erg. We kunnen niet allemaal tegelijk liggen. De mannen moeten elkaar ‘s nachts afwisselen.
De kinderen zijn in ‘t algemeen rustig en opgewekt. Ze doen spelletjes en zingen soms Engelse liedjes. De oude Cornelis Bos heeft echter vaak lastige buien ..

Vrijdag 27 april.
Zeer zware beschietingen. Veel Canadees snelvuur, dat gloeiende kogels in de lucht sproeit. Fosforgranaten, die in drieën uiteenspatten in de lucht en daar drie rookslierten van boven naar  beneden  laten “waaien”. Voorts rook- en nevelverwekkende granaten van waarachter de Canadezen door het land naderbij proberen te sluipen. Granaatkartetsen, die in de lucht uiteenspatten.
Van Duitse kant veel blindgangers, die wel de afschietknal laten horen en het fluiten door de lucht, maar inslaan zonder te knallen. Zo’n blindganger ligt op 3 meter afstand van onze kelder. Aan de westkant van ons huis heeft een fosforgranaat een krater van ong. 4 meter omtrek veroorzaakt. De diepe kuil rookte nog dagenlang na de inslag.
Evenals gisteren kunnen we de kelder haast niet verlaten. Toch proberen we soms even heel voorzichtig uit de ramen te kijken. Zo zien we ‘s middags tanks rijden op de velden van Uiteinde, op ong. 20 minuten lopen van 0nsvandaan.
Rondom in het land liggen dode paarden en koeien.
‘s Avonds zag ik een Duitse soldaat 2 gedode kameraden begraven achter de kerk. Ze waren de bemanning van de uitkijkpost op de klokkentoren en waren daar dodelijk getroffen. De klokkentoren stond zelfs even in brand, maar er werd snel geblust (De toren was leeg, de klok uit 1467 was reeds enige jaren eerder door de mof geroofd.) Dit is de enige keer geweest, dat er gesneuvelde Duitse soldaten werden begraven, de andere lijken bleven gewoon liggen.

Zaterdag 28 april.
Veel mitrailleurvuur op Uiteinde. Het is daar een waar slagveld. Blijkbaar proberen de geallieerden vanuit het noorden, langs de dijk op te rukken om zo de batterij Nansum in te nemen. ‘s Middags zien we weer tanks rijden op de Bierumerweg. Moffen sluipen door het land.
Het blijkt dat er nog iedere nacht gijzelaars in de kerk zitten. Dat ik niet weer gehaald ben houdt wellicht verband met het feit, dat wij reeds 2 Duitsers in huis hebben. Op Nansum worden zelfs dag en nacht 25 gijzelaars vastgehouden!
De beide soldaten in ons huis zijn stille mannen, die meestal somber voor zich uit zitten te staren. Soms staan ze uren achtereen door het W.C. raampje met een verrekijker te turen. Als er erg hard wordt geschoten komen ze ook in de kelder. Ze hadden het ‘s nachts koud. Lies gaf ze een deken. Elke morgen geeft één van hen mij een sigaret. Eens kwamen er nog 3 binnen! Deze waren spraakzamer en beweerden ook genoeg van de oorlog te hebben.
Eén hunner, een Feldwebel, peuterde de distinctieven van zijn jas en wierp ze in de kolenbak.Toch was het maar goed, dat ze er op een gegeven moment weer vandoor gingen, met Panzerfäuste en al.

Zondag 29 april.
Aangezien het vrij rustig is benutten we die morgen ons wat te verfrissen, te scheren enz. Daar wordt zonder waarschuwing de weg voor ons huis opgeblazen! Iedereen holt de kelder in en dat is maar goed ook, want er volgen nog twee ontploffingen. Die geven geweldige schokken, de keldermuren bewegen heftig heen en weer. Er ontstaan scheuren in de muren. Het gehele huis wordt overgoten door een stinkende modderstroom uit de sloot voor ons huis. De beide voorkamers komen vol modder te liggen, de gloeiende aarde beschadigt veel meubels, waaronder de piano. Geen enkel vertrek is moddervrij. De tuin is één grote modderpoel, het bruggetje over de sloot is weggeslagen, de kruinen van beide kastanjebomen liggen op het dak, dat nog verscheidende grote gaten heeft opgelopen. De laatste dakpannen zijn er afgevlogen.
‘s Middags komt bakker Kugel langs. Hij beweert opgewonden dat hij “Tommies” heeft gezien bij de kerk. Waakzaam geworden, loeren we naar buiten en zien inderdaad vreemde soldaten achter de kerk sluipen. Aan hun uniformen, hun platte helmen en gans andere manier van sluipen is het duidelijk te zien dat dit geen moffen zijn. Ik ga er op af, met een witte vlag in de hand en zeg in in mijn beste Engels: ” There are two German soldiers in our house.” “Moffen?” vragen zij. Eerst schenken zij er niet veel aandacht aan. Dan gaan er twee Canadezen met mij mee.
Voor de keldertrap, in de gang, staan “onze” twee Duitsers met de handen omhoog. Zij moeten hun wapens afleggen – die overigens gewoon in de gang blijven liggen – en moeten hun ringen en armbandhorloges afdoen, die meteen door de Canadezen in de zak gestoken worden! De gevangenen zeggen ons nog “auf Wiedersehen” en worden dan weggevoerd. Eén Canadees talmt wat bij de achterdeur. Onze kleine Henkie zegt, dat hij ook een ” Tommie” wil zien. Lies neemt hem mee naar de Canadees en zegt: ” this is Henkie, he wants to shake hands.” Hij legt de hand op Henks hoofd en zegt: ” Is that Henkie? You all are free.”

Aldus werden wij na bijna 5 jaar te zijn vernederd en verdrukt bevrijd door Gods genade door middel van het Perth Regiment van het 1 ste Canadese leger.
Zwaar is echter het offer geweest, dat Holwierde moest brengen. Later bleek, dat van de 900 inwoners er 25 dodelijk getroffen waren. Van de 16 boerderijen brandden er 12 af; Heeksterhuizen, Lutjeburen, Steenhof, Klein Wierum, Veenkamp, Garbindeweer, Wiersema, Lesterhuis, Grote Nes, Kleine Nes, Oosterfeldwerd, en Zuidveld met Oldenklooster.
De overige boerderijen hadden zware schade.
Ook veel woonhuizen zijn afgebrand, zoals Norden met zijn molen, de huizen van A. Mulder, G. Mulder, H. Mulder, café de Boer,enz. Alle huizen waren allemaal getroffen en hadden zware glasschade. Op deze dag der bevrijding bood Holwierde de aanblik van een rokende en modderige puinhoop ….

Ik was intussen met een paar Rode -Kruishelpers meegegaan naar de zwaar getroffen vrouw Zijlstra. Zij was door een granaat in het hoofd geraakt en volledig blind geworden.
Op aanraden van het Rode – Kruis en de Canadezen maakten bijna allen zich op om te vluchten, aangezien, nu Nansum gevallen was, Borkum zeker opnieuw met schieten zou beginnen.
Wat ons betrof: wij prakkiseerden er niet over om te blijven. Ten eerste konden onze zenuwen het niet langer verdragen.
Ten tweede was ons huis onbewoonbaar geworden. Door puinstof en modder was alles zeer vuil. En door het slechte weer, het open dak waar geen dakpan meer op lag en door de kapotte ramen was het in huis zeer koud en tochtig en vochtig.
Vooral Lies had grote haast om weg te komen. De familie Repping wilde meteen door naar Venlo! Wij waren ons er terdege van bewust, dat we op een zekere mate van plundering moesten rekenen, als we ons huis zouden verlaten. De manieren der Canadese frontsoldaten, die onmiddellijk in leegstaande huizen trokken, waren ons reeds duidelijk geworden. Doch dit legde voor ons geen gewicht meer in de schaal.
Wij hadden een kleine en 2 gewone koffers gepakt en wel klaar staan en verder nog een volgepakte kinderwagen. Men zei ons echter, dat het onmogelijk zou zijn de wagen mee te nemen. Ik moest hem dan ook in het gangetje van Tabor achterlaten.
Door de schuur van houtzagerij Bleeker heen konden we bij de Heekt komen. Over drijvende planken kon men aan de overkant komen. Dan door het dorp, waar hier en daar nog dode Duitse soldaten lagen, tussen rokende puinhopen door, achter de wegversperring om door de kuil van de wegopblazing bij Oosterfeldwerd in de richting van Godlinze. Terwijl wij door het dorp liepen, begonnen de granaten alweer te vallen, zodat wij veel haast maakten.
Wij behoorden tot de allereersten. Voorop liep Corry met Room Bos en Linie. Ze had een klein koffertje bij zich. Dan volgt Lies met Henkie, die waarschijnlijk het best van de gewijzigde toestand doordrongen was, want hij zei heel eigenwijs:” Mama, nu lopen we in bevrijd gebied.” Daarachter kwam ik met de 2 koffers, die ik met veel moeite droeg. Wij moesten n.l. verspreid lopen. Weliswaar kon er voor Lies een Rode – Kruisauto komen, maar daarop hebben wij gelukkig niet gewacht. Want een paar honderd meter achter ons, juist in de kuil bij Oosterfeldwerd, werd een granaat gemikt, waardoor nog 5 mensen dodelijk gewond werden. Onze vluchtweg lag onder vuur, telkens lieten wij ons in de slootwal vallen. Later bleek dat in de bermen aldaar nog landmijnen zaten! Vrouw Keur brak bij zo’n val haar arm. Het was een angstige tocht. Wij hadden de bedoeling om naar Spijk te gaan, maar toen wij bij de pastorie te Losdorp aankwamen, kon Lies niet meer, zodat wij daar eerst wat wilden uitrusten.
Het gastvrije aanbod van Ernst Loor en z’n Enny om te blijven, namen wij dankbaar aan. Welk een overgang! Eerst nu drong het tot ons door VRIJ te zijn.
Hier een dorp, waarin geen ruit stuk was, waar de mensen liepen met oranje in het knoopsgat, waar Canadese en Nederlandse auto’s af en aan reden, waar jonge mannen bij menigte langs de weg liepen en waar een wacht van Oranjemensen meteen de meegevluchte n.s.b.’ers inpikte! Repping zorgde nog voor de aanhouding van een uit Duitsland teruggevluchtte n.s.b. familie, van de ” man met de boord” of “met de bolhoed” of “Stompie” of ” Adamson ” genoemd. Daarna vertrok de familie Repping, richting Venlo, na afscheid van ons te hebben genomen.
De bewoners van het dorpsdeel ” Katmis” waren dinsdagnacht of woensdag al vertrokken naar Godlinze, Spijk e.d.
Tot de val van Delfzijl, 3 dagen later, sliepen wij bij Loor nog in de kelder.

30 april- 11 mei.

Logies in Losdorp bij de familie Loor. Van daaruit leidde ik vele begrafenissen in Holwierde.
In Holwierde zijn gevallen 15 personen, te weten:
Jurriën de Haan, in eigengemaakte kist begraven.
Pieter de Haan, zijn zoon, oud 16 jaar, een week later overleden.
Vrouw Altink, begraven 12 dagen na haar dood.
Vrouw H. de Boer met haar 2 kinderen Errit en Jan, resp. 12 en 6 jaar oud, op de vlucht getroffen door een vijandelijke granaat.
Vrouw H. Wiersema, getroffen door dezelfde granaat. ln ‘t ziekenhuis overleden.
Jan Hollander, getroffen door dezelfde granaat. In ‘t ziekenhuis overleden.
Vrouw H. Westrup, in hun tuin te Nansum begraven in een zelfgemaakte kist, nadat de Duitsers hun eerste zelfgemaakte kist hadden geroofd. Het lichaam is later naar het kerkhof overgebracht.
P. Rutgers, door de Duitsers uit de schuilkelder gejaagd en toen door een Canadese granaat versplinterd. De gevonden resten zijn later in een klein kistje begraven.
Jan Tuil, 21 jaar, door dezelfde Duitsers uit dezelfde kelder gejaagd en toen door een Canadese granaat indirect getroffen. Hij is eerst in de tuin van J. Smit begraven. Later is het lichaam overgebracht naar zijn woonplaats Delfzijl.
J. Korf, oud 75 jaar.
Schoenmaker Westerdijk , zijn vrouw en zijn kind.

Het kan slechts een wonder heten, dat bij alles wat gebeurd is; zo weinigen zijn gedood. Vooral de mensen, die uit brandende boerderijen moesten vluchten door open beschoten veld en door mijnenvelden, zijn wonderlijk gespaard.

Er waren ook vele gewonden. Blijvend invalide waren vrouw Zijlstra: blind en geen smaak en reuk meer en Pieterke Schipper, oud 17 jaar, been geamputeerd. Westerdijk verloor een oog.

Op woensdag 2 mei bezocht ik Holwierde weer. De kerk zag er verschrikkelijk uit. Doordat het dak verscheidende voltreffers heeft gehad, lekte het er vreselijk. De banken en de paden lagen nog vol stro. In het pad lag een dode Duitser in een bloedplas.
Op de trap lagen ook bloedplassen. In de banken, muren en orgelpijpen veel kogelgaten. Verder nog uniformstukken, drankflessen, en etensresten der moffen.
Indertijd had de N.S.B. organist Jan Tjalma op het schot achter het orgel de volgende spreuken aangebracht in sierlijke gotische letters en fraaie omlijsting: ” Adolf Hitler, Sieg Heil. Gott erhalte unseren Führer. Er schlage die Feinde unseren Volkes”. Tot mijn verbazing zag ik, dat deze woorden verdwenen waren en in plaats daarvan in de oude omlijsting met hetzelfde lettertype vervangen door: ” Gelijk een wervelwind voorbijgaat, alzo is de goddeloze niet meer; maar de rechtvaardige is een eeuwige grondvest. Spreuken 10: 25 … fecit 23-4-45.”  Vooral, deze datum is merkwaardig. Immers toen hield de mof de kerk reeds bezet en was het bezwaarlijk om lang buitenshuis te zijn. Nimmer is gebleken, wie de auteur van deze nieuwe spreuk is geweest.
In Tabor was van het portret des Führers ‘t hart doorboord. Overigens was de toestand daar ongewijzigd. Met behulp van de ondergrondse en ouderling Stoppels is de moffenboel daar opgeruimd, zijn zoveel mogelijk Tabor-meubelstukken bijeengezocht en is Tabor gereedgemaakt voor de bevrijdingsdienst van zondag 6 mei. Wij misten toen nog al het glas en het orgel, dat bij boer Lesterhuis verbrand was, maar wij konden ons er mee redden.
Thuis kon ik de schade der plundering constateren. Wij misten:

Schrijfmachine (geleend van Klasens) à  f 264.-
Kas inwendige Zending f 195,24
Damesvulpen met etui, zakdoekjes, 1 fles Lavendel odeur, broche van 2 gouden vijfjes, lange kokosveger, schop, hoge hoed, 2 vredessigaren.
Met behulp van Ernst Loor, timmerman, schilder, Els, dienstmeisjes enz. hebben wij het huis gedeeltelijk weer bewoonbaar gemaakt.  De 6 heel gebleven spiegelruiten (zie aantekening 17 april!) zijn gedistribueerd over de bewoonbare kamers, de modder hebben wij naar buiten geschept. Achtergebleven handgranaten en geweerpatronen zijn ingeleverd.

Vrijdag 11 mei keerden wij naar Holwierde terug. Corry huilde toen zij het dorp weerzag.

Een week later werd onze zoon Cornelis Pieter geboren!

De N.S.B.’ers hebben zich verdienstelijk gemaakt met het begraven van de talloze dode koeien en paarden en Duitsers, onder leiding van de oranjemannen. Dit was wel een nuttig, doch onaangenaam werk door de stank. Men begroef wat men vond op de plaatsen waar men het vindt en dan wat bij elkaar. Zo zoekt men te Holwierde tevergeefs een Duits soldatenkerkhof, hoewel er toch minstens 50 man op Holwierds gebied begraven liggen. Ik bewonder dit niet. Al waren het vijanden, zij hadden toch wel op een afgebakend stukje grond bij elkaar kunnen liggen?
Er ligt (zomer 1946 ) nog één Canadees begraven in het land bij het transformatiehuisje op de hoek Uiteinderweg.

In deze omgeving zijn Appingedam, Bierum, Oosterwijtwerd en Delfzijl ook nogal getroffen. (hoe eerder genoemd, hoe erger.) Geen echter zoals Holwierde.

In de stad Groningen zijn 100 burgerslachtoffers gevallen, in Appingedam 32, in Delfzijl 30, in Bierum 1.

Hoe was de stemming te Holwierde na hetgeen gebeurd was? Neerslachtig? Klagend? Berustend- onverschillig?
Neen. De stoffelijke verliezen werden buitengewoon goed gedragen, hoewel de hulpverlening traag en gering was. De primitiefste wonerij werd verkozen boven het geëvacueerd zijn. De mensenlevens werden betreurd, maar het was alsof het niet zo smartte als bij een gewoon sterfgeval. Vooral dit begrijp ik niet. De mensen waren blij vrij te zijn, hoewel er over feestvieren niet gesproken werd. Wel liep iedereen met Oranje in het knoopsgat, maar zelfs gevlagd werd er maar sporadisch.
Het kerkbezoek was gestegen. Hoewel wij bijeen kwamen in Tabor, wat een veel te klein gebouw was, zonder glas in de ramen, waarin de zwaluwen af en aan vlogen, waren er 154 zitplaatsen, die wij bij elkaar scharrelden. We hadden in de morgendienst te weinig ruimte, zodat er telkens mensen ‘t podium als bank moesten gebruiken en dat terwijl het aantal inwoners door evacuatie en vertrek-voorgoed aanzienlijk was teruggelopen.
Wel duurde het verscheidende weken, eer de mannen weer geregeld hun landarbeid waarnamen. Dit kwam mede doordat ieder veel aan huis en erf te doen had en doordat men bang was voor mijnen in het land. Maar op den duur werd het boerenwerk weer normaal en wel veel sneller dan in de meeste streken van ons land.

Begin augustus kreeg Tabor weer glas. Op 18 augustus was het gat in ons dak dichtgemaakt en we kregen weer elektra. Begin september een nieuw brugje, half september dakgoot reparatie. Op 9 oktober was ons huis dicht, hetzij met glas, hetzij met hout en karton.
Kerk: 27 september toren afgebroken, d.w.z. de koepel. Dak voorlopig gedicht; ‘s winters wat gepruts aan de gewelven. Weinig voortgang. Weer in gebruik op 18 januari 1951.
Boerderijen: tegen het einde van 1945 overal een noodwoning met noodstal.
Dorp:vele huizen najaar 1945 afgebroken, enkele houten noodwoningen.
De molen van Bleeker, die hoewel beschadigd, toch was blijven staan, brandde 26 oktober af met omliggende pakhuizen en een woning. Daarmee was de laatste schoonheid van Holwierde verdwenen. Reeds in de nacht van 29 op 30 april 1945 legden de Canadezen een Baileybrug over de Heekt. De brug bleef jaren in gebruik.

Opgetekend door ds. Melle Ariën Visser.
Geplaatst via dhr. C. Kool, Holwierde.