Holwierde


Bevrijd en toen?

tekst geschreven door dhr. Hendrik Stoppels te Nansum en oorspronkelijk geplaatst in de dorpskrant “Aan weerszijden van De Heekt’ van mei 1980.

Vaak wordt mij gevraagd hoe het ging, toen zo direct na de bevrijding bevrijd te zijn na zoveel jaren van een vijand en omdat we dit net weer herdacht hebben, wil ik proberen te vertellen hoe dit op mij overkwam nu 35 jaar geleden.
Ik was toen 14 jaar en de jaren daarvoor was ik met de Duitsers ruim 3 jaar opgegroeid.
Mannen, waarvan sommigen ouder waren dan ik nu, vandaar dat we tegen de alleroudsten opa zeiden, want dit zeiden ook de jongere soldaten tegen hen.

We waren een groot gezin van 10 personen, mijn oudste broer was onderduiker en soms waren er nog 2 onderduikers bij en die hadden geen bonnen waar moeder etenswaren op kon krijgen, maar zij wist vaak wel wat te ruilen met schippers uit Delfzijl.
De Duitsers die bij ons in de barakken lagen waren geen onderduikersjagers. Mijn broer ging daarom ook vaak in het kamp als er onraad in de lucht zat. Dit kon gemakkelijk omdat er een klein sluipweggetje was, met een doorgang door de prikkeldraadversperring en zo was er dus een relatie ontstaan tussen de Duitsers en ons.
Er waren er bij die geregeld naar de geheime zenders luisterden en zo kwamen we vaak te weten, wat soms het doorgeven waard was. Maar toen onze bevrijders oprukten zijn ook mijn ouders met 5 van hun kinderen naar een oom en tante gegaan, die woonden op een grote boerderij bij Losdorp. Dit had mijn vader altijd al met hen afgesproken, “als de Canadezen in Groningen zijn, komen we bij jullie”. Ook de Duitse commandant zei altijd “op tijd weg wezen want het gaat er straks op aan”.
En zo kwam het dan dat we op een zaterdag met de koeien en al op stap gingen. Onze oude buurman van 80 jaar stond achter de heg zijn aardappelen te poten, ik hoor hem nog tegen mijn vader zeggen: “Dei weg gait mekaaiert “t hier”, en hij wees met zijn vinger naar zijn hoofd. Hij zei altijd “hier gebeurt niks, in ’14- ’18 niet en nu ook niet. Moije.
Mijn oudste 2 broers en een zuster bleven achter en uit het boek “Bierum in de branding’, kunnen we lezen hoe het de laatste 14 dagen is gegaan. En eindelijk was het dan zover dat de kanonnen op de dijk zwegen. De 28e april om ruim 23 uur werd voor het laatst geschoten. De Duitsers gingen in de bunkers en de witte vlaggen kwamen naar buiten. Ze zijn achter de zeedijk richting Bierum, als krijgsgevangenen weggevoerd.

Het was toen zondag, mijn twee broers die achter gebleven waren, zijn langs een omweg al een dag eerder bij ons gekomen. Veel hadden ze meegemaakt. `s Maandags is één van hen al weer naar Nansum gegaan. Ons huis stond nog overeind, zwaar gehavend, alle ruiten waren stuk, de pannen van het dak, drie grote gaten van voltreffers gaapten je aan, door het hele huis heen stro en van alles wat ze maar hadden gebruikt om te slapen, te eten en te vechten. Dinsdags ben ik met mijn zuster die eerst was achtergebleven, ook weer naar huis gegaan. Op de driesprong in Losdorp werden we nog één keer beschoten vanaf Borkum, maar verder ging alles goed. Op Nansum zagen we nog onze oude buurman. Hij lag in de stal op wat stro onder een paar dekens. ´s Maandags had mijn broer hem al aangetroffen in zijn huisje, hij was totaal overstuur. Zijn huisje was geheel in elkaar gezakt, hij was gewond aan zijn hand en totaal verkleumd. Nansumers die nooit weg zijn geweest hebben hem toen opgehaald en hier lag hij in de warme koeienstal. ” Doe de groeten maar aan jullie ouders”, zei hij nog “want ik ga sterven”. De volgende dag hebben ze hem op een bakfiets naar Holwierde gebracht en toen met een ambulance naar Groningen, waar hij de 10e mei is overleden. (Dit was dhr. E. Tuinier, red.)

Boven op de bult van Nansum kwamen we mensen tegen uit andere dorpen. Ze waren in het kamp geweest, daar hadden ze 2 wagens vol spullen geladen. Op één wagen lag ook munitie en zo gingen ze weg van de bunkers met hun 2 meter dikke muren. Ze brachten het naar Spijk, hier kwam het in een houten loods en we kunnen weer in “Bierum in de branding’ lezen welke gevolgen dit heeft gehad.
We zijn toen een poosje thuis geweest, we hebben nog even in de stelling van de Duitsers gekeken, maar hier waren nu lachende Canadezen, onze bevrijders, waar ik mijn leven lang diep respect voor zal hebben. Mannen ver van huis, om een bevriend land te helpen bevrijden van hun onderdrukkers.
Overal lagen gesneuvelde Duitsers, een onderofficier lag al direct bij de brug, voertuigen van mensen die wat moesten halen reden vlak bij zijn hoofd langs. De Canadezen hebben hem na een paar dagen bij mijn vader in het land begraven. Verder was het één chaotische toestand. We zijn maar gauw naar ons tijdelijke verblijf teruggekeerd, maar na een week zijn we toch voorgoed teruggekomen. De koeien konden in de wei, de stal was het minst beschadigd en daar konden we eten en slapen. Wonen kwam tegen de winter pas aan de orde, maar de bevrijdingsroes werd diep de grond ingetrapt door sommige mensen van de B.S.

Zeven keer hebben ze een huiszoeking gedaan bij mijn ouders. Mantels, grauwe dekens en alles wat ze maar dachten dat wel eens van de Duitsers had kunnen zijn, namen ze mee, al had mijn moeder ze ook gewoon geruild met schipper Bootsman, ze namen het mee.
Mijn vader moest zelf eens wat brengen op het gemeentehuis en hier werd hem toegesnauwd dat hij alles moest brengen, zo niet dan zouden ze hem eens tegen de muur zetten. Niets nieuws onder de zon dus. Fietsen waren ze gek op. Twee keer heb ik een fiets van oude brokstukken gemaakt, maar steeds weer werd hij in beslag genomen door Berend en zijn mannen. Hij liep rond met een herdershond en een revolver op z’n zij. Jonge mannen die de oorlogstijd ondergedoken waren geweest en hun laarzen niet voor hem wilden uittrekken, werden meegenomen naar Spijk waar ze gevangen werden gezet. Eén bewoner van Nansum, die zijn vrouw in de oorlog had verloren, en een granaatinslag in zijn huis had afgedekt met een Canadees camouflagekleed, moest die bij hem inleveren. Hij deed dit niet. Ook hij werd opgebracht naar Spijk.
Bijna was dit een groot ongeluk geworden, want de opgeschoten jeugd wilde de man met de hond doden. Dit werd door de ouderen verhinderd.
Een zoon van bovengenoemde Nansumer, die een handgranaat naast de man met de hond in de sloot gooide toen deze op zijn fiets door Nansum kwam, werd ook opgebracht naar Spijk.

Nog even terug naar de stelling in Nansum. Een wachtpost kwam bij de ingang van de stelling te staan en als de commandant van de B.S. aankwam, dan presenteerde hij zijn geweer totdat een oudere eens grapte dat ze dat in de eerste wereldoorlog alleen maar deden voor leden van het Koninklijk Huis en voor een minister.
De één na laatste wachtpost, die toen al vanuit Delfzijl was uitgezet om de laatste spullen te bewaken van Nansums stelling, presteerde het nog even dat de één de ander door het hoofd schoot. Nog een treurige opschudding in de nacht van september 1945.

Maar heel langzaam kwam alles weer in goede banen, men kon weer van alles kopen, zij het op bonnen, maar na een paar jaren van wederopbouw en noeste arbeid zijn de totaal verwoeste huizen weer opgebouwd en de gehavende hersteld.

H.S.