Holwierde


DE STEFANUSKERK IN HOLWIERDE
De romano-gotische Stefanuskerk uit het einde van de 11e eeuw is op verzoek te bezichtigen. Een sleutel kunt u verkrijgen bij de fam. H. Stoppels, Hoofdweg 37, 9905 PA Holwierde.Tel: 0596-626175

De enige kerk, die het dorp Holwierde rijk is, is gebouwd op de wierde Holwirth welke gedeeltelijk is afgegraven. De kerk was van oorsprong een Rooms-Katholieke kerk en is tijdens de reformatie in Protestantse handen overgegaan.

stephanus

Stichting
Van de oudste kerkelijke indeling is bekend dat er in ons gebied twee moederkerken waren en wel in Loppersum en in Farmsum. Deze “oerparochies” werden van elkaar gescheiden door de Lege Maar, dat ten westen van Arwerd naar het noorden stroomt en bij de Nes in de Heekt uitkomt. Beide kerken werden in de vroege Middeleeuwen mogelijk door Liutger of door één van zijn opvolgers als bisschop van Munster gesticht. Ten oosten van de Lege Maar werd in het seenddistrict (waar het kerkelijk recht was
werd gesproken) Farmsum als oude dochter in de late 11e eeuw de St. Stefanuskerk van Holwierde gesticht op een aparte wierde aan de Heekt tussen Bansum en Katmis. De parochie Marsum, die in later tijd juridisch met Holwierde nog één geheel vormde,
op haar beurt een dochter van Holwierde. In het zuidwesten is Jukwerd ook zo’n dochter van Holwierde. Met de afsplitsing van de parochie van Krewerd- Arwerd aan het einde van de 13e eeuw en met de stichting van de St. Nicolaaskapel in Watum binnen de rest-parochie Holwierde kreeg de parochie-indeling uiteindelijk haar definitieve vorm. Over de stichtingsgeschiedenis, welke aanleiding gaf tot de bouw van de kerk, is ons helaas niets bekend. De kerk wordt voor het eerst in de kroniek van Wittewierum vermeld. Deze kroniek werd bijgehouden door de abten van Klooster Bloemhof te Wierum. De monniken van dit klooster behoorden tot de orde der Praemonstratenzers en droegen daarom witte pijen. Vandaar de naam Wittewierum. Abt Menko ( 1243- 1276) , de tweede abt van dit klooster, schrijft in de kroniek dat in 1247 de kerken van Holwierde en Bierum waren ontwijd door de strijd tussen Ripert ( deken van Loppersum) en de Alberda’s. In het algemeen kunnen we zeggen dat de wens naar een eigen kerk na 1050 sterk toenam. De levensomstandigheden waren toen sterk veranderd. Het klimaat was verbeterd en de plundertochten van de Vikingen waren tot een einde gekomen. Zoals overal in West- Europa was er sprake van een explosieve bevolkingsgroei, waardoor er meer grond in gebruik moest worden genomen. Woeste grond werd ontgonnen en er werd een begin gemaakt met de aanleg van dijken. De bevolking werd door technologische ontwikkelingen en nieuwe landbouwmethoden welvarender en ook de handel begon een steeds grotere rol te spelen. Hierdoor waren de mensen onafhankelijker en de mobiliteit nam toe. Daardoor veranderden de sociale structuren en het groeiend zelfbewustzijn van de dorpen bracht de wens naar een eigen kerk met zich mee. Veel kerken in deze regio danken dan ook hun bestaan aan initiatieven van de plaatselijke bevolking en niet, zoals elders vaak het geval was, aan dat van bisschoppen, edelen en andere machthebbers.

Bouw
Het oudste deel van de kerk van Holwierde wordt gevormd door het tufstenen onderstuk van de muren van het schip. Aan de oostzijde werd zij gesloten met een inspringende halfronde koornis. De ingangen bevonden zich aan de lange gevels, volgens een traditie die nog uit de heidense tijden stamt en waaraan men tot in de late 14e eeuw heeft vastgehouden. De kleine rondboogvensters die nog in het muurwerk herkenbaar zijn, werden hoog in de muur aangebracht. Tufsteen is van vulkanische oorsprong en komt in grote hoeveelheden voor in het Eifelgebergte. Van daar werd het materiaal op vlotten vervoerd langs de Rijn en de IJssel tot de stapelplaats Deventer. Van hier vond verder transport per schip plaats over de Zuiderzee (nu het IJsselmeer) en de Waddenzee. Een kerk bouwen was dus in die tijd een erg kostbare geschiedenis. In het derde kwart van de 13e eeuw is de kerk ingrijpend verbouwd in de stijl van de romano-gotiek. Romano-gotiek is kunst in baksteen, waarbij alle mogelijkheden die baksteen biedt, zijn gebruikt om muren en gewelven te versieren. Het bouwen van een baksteenkerk was een bezigheid waaraan door de hele bevolking van het kerspel werd deelgenomen. Voor het bakken van de stenen (kloostermoppen) werd een veldoven gebruikt en het metselkalk werd verkregen door het branden van waddenzeeschelpen.

 

Het bestaande tufstenen schip werd aanzienlijk verhoogd en in het begin van de 14eeeuw uitgebreid met een dwarspand en een veelhoekig gesloten koor, waardoor een kruiskerk ontstond.
De romano-gotische koepelgewelven over dwarspanden, viering en koor zijn tot op de dag van vandaag behouden gebleven. Het vieringgewelf heeft acht sierribben, die samenkomen in een wijde sluitring, waarbinnen siermetselwerk is aangebracht.

De vroegere kerkglazen waren in lood gezet met op alle glazen prachtig schilderwerk. In 1834 was de onderhoudstoestand van de kerk zo slecht dat de stenen gewelven van het schip werden vervangen door een houten zoldering, terwijl de gewelven in het kruis en in het koor steeds meer gestut moesten worden. De muren werden toen wit gepleisterd om zo de muurschilderingen, welke herinnerden aan de roomse periode, letterlijk weg te vegen. In de laatste dagen van de Tweede Wereldoorlog heeft het dorp Holwierde en dus ook de kerk, flink te lijden gehad onder het oorlogsgeweld. Als gevolg hiervan is de kerk gedurende de jaren 1945- 1950 grondig gerestaureerd en gebracht in de toestand zoals men haar nu aantreft. Op de orgelgalerij vindt men hiervan de volgende tekst: “1945 De Kerk gehavend door krijgsgeweld is door offers van de gemeenschap in luister hersteld 1950″.

De toren
Aan de zuidzijde van de kerk verrees, op de plaats waar nu een transformatorhuisje staat, een bakstenen toren van 207 voet hoog ( is ruim 60 meter), met een geheel gemetselde spits zoals we nu nog aantreffen in Schildwolde en Onstwedde. Indien men deze juffertorens wel eens heeft gezien, dan kan men zich een beeld vormen hoe de toren in Holwierde er uit heeft gezien. De naam juffertoren komt van een legende. Drie rijke zusters ( juffers) die er nogal vrolijk op los leefden, kwamen tot inkeer. Ze namen afscheid van elkaar met de afspraak dat ze daar waar ze terecht zouden komen, een toren zouden bouwen ter ere van God. De drie torens moesten gelijk zijn omdat ook de drie zusters gelijk waren aan elkaar. De eerste zuster kwam in Onstwedde, de tweede kwam in Schildwolde en de derde bracht het tot Holwierde. De toren was destijds van verre goed te zien en was voorzien van een lantaarn. Zij diende als lichtbaken in donkere nachten voor de schepen die over de Ooster-Eems voeren om Delfzijl of Emden te bereiken. Op verscheidene zeekaarten blijkt dat de Holwierder toren een uitstekend landmerk was. Op sommige kaarten is enigszins een afbeelding van de toren te zien. Toen het gevaarte, want dat was deze toren wel, begon te hellen naar het zuiden, werd er in het jaar 1807 100 voet afgebroken en nam het Rijk de toren over. Het gebouw werd voorzien van nieuwe balken en zolders en de hoogte weer teruggebracht op 207 voet. De top werd gedekt met lei. Door de jaren heen werd een groot aantal van deze leien afgeworpen door de wind en op zekere tijd werd de toren toen bedekt met zink en aan de hoeken met koper. Op 29 november 1836 viel tijdens een flinke storm, tussen 7 en 8 uur ‘s avonds, de gehele spits naar beneden. “Dat was voor het dorp een tijd, hoe kort ook, van grooten angst maar gelukkig vielen er geen dooden”. Men heeft toen de toren dichtgemaakt maar in 1854 volgde de afbraak van het resterende onderstuk. In dat jaar werd de westgevel voorzien van een dakruiter. Dit werk kostte toen Fl 2400,- plus een som voor overbouw. In de archieven is over dit laatste, merkwaardig genoeg, niets terug te vinden. In de toren bevonden zich twee klokken. De ene klok die wel 2800 pond woog, was zo groot dat 6 mannen die moesten luiden. De klok stond bekend om haar prachtige sonore klank, die tot ver in de omtrek haar statige geluid liet horen. Zij droeg het opschrift: “S. STEPHANUS Ao 1620 JOANNUS SIMON ANTONIUS FILIUS, PETRUS JOLY GALLI ME FECERUNT” volgens M.D. Ozinga, De Nederlandse monumenten van geschiedenis en kunst. De Stefanusklok is, na het slopen van de toren, in 1855 voor Fl 3000,- verkocht aan de familie van Rijn. De andere klok was een, aan Maria gewijdde klok, die in 1467 gegoten is door de klokkengieter Henriek Rekenacker. Deze klok is in 1855 in de nieuwe toren teruggeplaatst. In de bezettingstijd ( 1940- 1945) is de klok door de bezetters uit de toren gehaald en weggevoerd. In de notulen van de vergadering van Kerkvoogden en Notabelen van 29 oktober 1943 staat het volgende hierover vermeld: “Onze kerkklok werd 3 maart uit den toren verwijderd op last van de weermacht en 11 maart weggevoerd”. Op de klok stond te lezen: “MARIA BIN IC GEHEETEN, ‘T KERSPEL HOLWIRDA HEFT MI LATEN GIETEN ANNO DOMINO 1467″. De klok was versierd met de figuur van Maria met het kind Jezus aan de ene en de gekruisigde Christus aan de andere zijde. Ongeveer 475 jaar heeft deze klok de gemeente van Holwierde dus naar haar bedehuis geroepen. De klok, die onherstelbaar gescheurd was, staat nu in het Nationaal Beiaardmuseum te Asten (nabij Eindhoven) Een aantal jaren geleden hebben de kerkrentmeesters van de hervormde gemeente Holwierde getracht de klok terug te krijgen om haar vervolgens te willen plaatsen in het koor van de kerk. Deze poging is jammer genoeg mislukt omdat, naar toen pas bleek, de klok na de oorlog werd opgespoord en de toenmalige kerkvoogden haar voor Fl 500,- hadden verkocht aan het Rijksmuseum te Amsterdam. Deze heeft op haar beurt de klok naar Asten laten overbrengen. Vermoedelijk is de klok verkocht om de restauratie mede te financieren. De klok die men nu hoort, is in 1949 gegoten door klokkengieterij van Bergen uit Heiligerlee.

Wijding
De kerk van Holwierde is gewijd aan de martelaar Stephanus, welke reeds in de vroege Middeleeuwen grote verering genoot. Deze Stephanus (wiens naam kroon betekend) was een van de zeven mannen die in de christelijke gemeente van Jeruzalem aangesteld werden om de zorg voor behoeftige gemeenteleden op zich te nemen. Hij was dus een van de eerste diakenen. Op de beschuldiging dat hij zich tegen de joodse Wet en de Tempel gekeerd had, werd hij voor het Sanhedrin gebracht en gestenigd. Hierdoor werd hij de eerste martelaar van de vroeg- christelijke kerk en werd hij later ook wel de prins der martelaren genoemd. Zijn feestdag (sterfdag) valt op 26 december. In 415  zou het gebeente van deze heilige gevonden zijn in Caphargamala in de buurt van Jeruzalem, hetgeen aanleiding gaf tot het invoeren van een tweede feestdag op 3 augustus. Relieken raakten bij gelegenheid door heel het christendom verspreid. Te Ancona in Italië zijn lange tijd stenen bewaard welke afkomstig heetten van de steniging. De verering van Stephanus verbreidde zich daarna in geheel het Westen, vooral in Duitsland en Hongarije. Veelvuldig treffen we afbeeldingen van deze heilige aan, gekleed als diaken in een rijk geborduurde dalmatiek, in de hand de martelaarspalm of ook wel stenen dragend. In de loop der eeuwen werd hij vaak gekozen tot patroon van kerken, kathedralen en steden. Ook in de volksdevotie werd Stephanus beschouwd als de speciale beschermer van kuipers, koetsiers, metselaars, kleermakers, wevers, steenhouwers en timmerlieden. Zij riepen hem aan bij hevige hoofdpijn, blaassteen en steken in de zij. Bij de boeren was hij de geliefde paardenpatroon, waarschijnlijk omdat zijn feestdag in de tijd valt waarin men ter bevordering van de vruchtbaarheid omritten maakte over de akkers ( een overgeleverd heidens gebruik). Op zijn feestdag wordt, ook nu nog, op sommige plaatsen water en zout gewijd en aan de paarden voorgezet. De paarden worden in sommige delen van Duitsland, rijk versierd en om de kerk geleid. In het oosten van ons land spreekt men dan van “Sint Steffen riën”. Wanneer de bouwlieden de laatste hand aan het kerkgebouw hadden gelegd, kon de kerk worden gewijd door de bisschop van Munster of diens vertegenwoordiger. Daartoe werden op de wanden van de kerk twaalf wijdingskruisen geschilderd, vanwege de twaalf apostelen van Christus. Bij de kerkwijding werden de kruisen bestreken met de heilige zalfolie uit de kathedrale kerk. Restanten van de serie van twaalf kruisen zijn o.a. bewaard gebleven in de kerken van Holwierde, Bierum en Krewerd.

Inrichting van de kerk
Bij binnenkomst vinden we in het voorportaal twee zandstenen sarcofaagdeksels, die tegen de zijwanden staan opgesteld. Het deksel tegen de zuidelijke muur heeft een voorstelling van twee figuren. Een dergelijke voorstelling is zeer bijzonder voor dit gebied. Het andere deksel, voorzien van een kelk, is afkomstig van een priestergraf. Er ligt nog een derde deksel tegen de zuidmuur, die eens dienst deed als stoeptrede. Als vroege herinnering aan de katholieke tijd, vinden we nog een lavabo. Deze diende voor liturgische handwassingen en liep met een gootje uit op het kerkhof. De pastoor liet hier dus letterlijk Gods water over Gods akker lopen. Het koor van de kerk ligt twee treden hoger dan het schip, als een uitgebouwde altaarruimte, een soort “heilige der heiligen’. Het heeft een tiendelig straalgewelf en maakt een rijzige indruk met zijn hoge ramen. Hierin bevond zich in de voor-reformatorische tijd het hoofdaltaar, helaas is hiervan niets bewaard gebleven. Aan de oostzijde van het koor werd een sacramentsnis gebouwd, afgesloten met een ijzeren deurtje. In deze nis werd de monstrans (kelk) gezet, met de geconsacreerde hostie. Van de muurschilderingen kan verteld worden dat de steentjesschilderingen op de gewelven dateren uit de romano-gotische tijd. In de gotische periode zijn de muren overgewit waarbij de constructieve elementen van bogen en ribben weer werden gekleurd, zodat de architectuur een extra accent kreeg. De viering ( het kruispunt der armen) heeft een fraai koepelgewelf waar de acht ronde ribben samenkomen in een rijk gevormd rozet. Op dit koepelgewelf en op de muren zijn bij de laatste restauratie restanten van drie verschillende schilderlagen uit verschillende tijden zichtbaar geworden. De oudste is een decoratieve laag die het patroon van het metselwerk volgt. Op de tweede laag zijn symbolische voorstellingen aangebracht, waaronder de tekens van de vier evangelisten. Hierbij wordt Mattheüs als engel, Marcus als leeuw, Lucas als stier en Johannes als adelaar voorgesteld. De derde, nog weer jongere laag, is een decoratieve beschildering en kenmerkt zich door bloemmotieven. Op de muren vindt men aan de zuidzijde een restant van een jachttafereel en de figuur van de heilige Sebastiaan op de noordwand. Deze heilige geldt als patroon van de boogschutters en als beschermer tegen de pest. Bij de laatste restauratie heeft men de inrichting van het meubilair geheel veranderd, waardoor het interieur veel van haar luister heeft verloren. Tegen de wens van de toenmalige predikant, kerkvoogden en gemeente in, heeft de architect zijn eigen visie doorgedrukt. Hij vond dat de architectuur van het gebouw zoveel mogelijk tot z’n recht moest komen en dat de indeling op de tweede plaats kwam. Volgens hem hoorde in de Middeleeuwse gotische kerkbouw de blikrichting naar het koor te zijn en daarom moest men weer het volle zicht op het koorgewelf krijgen. Dit had allereerst grote gevolgen voor het mooie laat-gotische oksaal met maaswerk uit 1560. Het oksaal is de houten afsluiting tussen koor en schip. De Holwierder kerk is een van de weinige kerken waar dit oksaal intact is gebleven. Boven deze sluitwand met toegangsdeuren naar het koor was een galerij waarop vroeger het orgel was geplaatst en welke dienst kon doen als zangerstribune. Dit orgel, in 1663 voor Holwierde gemaakt door Hindrick Huis, verkeerde in 1828 in haveloze staat. Het werd toen vrijwel geheel vernieuwd door H.H. Freitag. In 1924 is het instrument opnieuw vernieuwd waartoe de kerkvoogden een lening hadden afgesloten van Fl 2.000,-. Na de restauratie is het orgel op een nieuwe galerij in het westen geplaatst. De preekstoel werd toen verplaatst naar het oksaal, pal voor de toegangsdeuren naar het koor. Omdat met de invoering van de reformatie, de verkondiging van het evangelie middels de preek, het hoogtepunt werd van de eredienst, werden daartoe deze kansels gebouwd. Zij staan niet als gewone stoelen met hun poten op de grond maar lijken te zweven omdat ze zijn gebouwd rond
een zware eikenhouten balk, welke doorgaans aan de muur werd bevestigd. De kansel van Holwierde stond vroeger tegen de zuidwestelijke vieringpijler en dateert uit het tweede kwart van de 17e eeuw. De kuip heeft trospanelen tussen getorste Corinthische zuiltjes, terwijl de plint en de kroonlijst barok houtsnijwerk hebben. De preekstoel met zijn brede trap werd van onderen gestut omdat er beweging in scheen te komen. Stond er niet ergens in een oud boekje: “En terwijl de prediker sprak: ik kom haastelijk tot u, sloeg de preekstoel voorover”. Ongelukken worden er niet bij genoemd, wat wel een wonder was. Aan de kanseltrap is een houder met een koperen doopschaal bevestigd. Een 17e-eeuws doophek rond de kansel is verdwenen. Naast de preekstoel heeft op een afzonderlijk stuk snijwerk, een zandloper gestaan die de tijd van de predikatie moest aanwijzen. Met de jongste restauratie moest ook de opstelling van de herenbanken veranderen. In de oude inrichting stonden in het dwarsschip en tegen het oksaal verschillende herenbanken uit de 17e en 19e eeuw en één uit 1559, welke nu in de noordelijke arm van het dwarsschip staat en barok snijwerk bevat. Het jaartal 1559 met twee kleine beschilderde familiewapens vinden we aan de voorzijde van deze bank. Op het linker wapen staan twee tegenover elkaar staande leeuwen afgebeeld maar over de eigenaar van dit wapen is helaas niets bekend. Op het rechter wapen zijn drie mispelbloemen te vinden en deze behoorde toe aan de familie Welvelde (van Welevelt). Deze familie had bezittingen in Uiteinde. De latere heer Hofman, lid der Gedeputeerde Staten, is van deze herenbank eigenaar geweest. Eveneens in de noordelijke arm staat een bank, voorzien van het jaartal 1740 en de naam Tjark Payters.
Men zegt dat er 150 personen zijn die hun recht op deze bank kunnen laten gelden. In de zuiderdwarsarm staat, voor het zuidelijke portaal, een overhuifde 17e eeuwse bank, zij het in veranderde vorm. Bij de restauratie werden enige mooie restanten van andere banken behouden.. Eveneens zijn nog twee wapenbordjes bewaard die nu aan het oksaal zijn opgehangen. De banken die nu in het schip staan, waren voor de restauratie geplaatst tegen de zijmuren met een looppad in het midden. Bij de restauratie moesten ze vrij van de muren komen te staan om zoveel mogelijk van deze oude muren zichtbaar te maken. De eikenhouten bolpoot- avondmaalstafel stond vroeger in het koor, nu is deze geplaatst voor de kansel met twee losse bijbehorende gesneden leuningbanken. De kerk bezit twee avondmaalsbekers en deze dateren van 1653 en 1676 De beker met de jaarletter 1642/53 is gegraveerd met lofwerk, bloemen, vogels en cherubs en de tekst: HOLWYRDER.KERCKE.BEKER.GEMAECT.ALS.DE.WEER.WELGHE.HEER. EMANVEL. GEMMINGA.PASTOOR. JAN.BOUWENS.CORNELLIS.CLAHSEN. EN.ARENT.IACOBS. KECKVOOGDEN.WEERDEN.IN.DER.TIT. ANNO.1653. De tweede beker draagt de jaarletter 1637/38. Naderhand is deze van oorsprong profane beker gegeven aan of gekocht voor de kerk. De kelk is versierd met lofwerk, vruchten, vogels, gevleugelde paardenkoppen, engelenkopjes en cartouches, waarin de symbolen van geloof, hoop en liefde. Voorts zijn er de initialen I.I:M.K. en het jaartal 1676. Verder is er een offerbeker, die geschonken is door ds. J.W. Hannema in 1926, toen hij 25 jaar predikant was in Holwierde. Een wijnkan is geschonken door de fam. H. Lesterhuis. De heer H. Lesterhuis is vanaf 1 januari 1930 tot 24 december 1960 president- kerkvoogd geweest in deze gemeente. Ook is er nog een broodschaal waar niets op staat te lezen. Aan de muren bevinden zich een aantal gedenkborden. Bij binnenkomst aan de zuidzijde vindt men ter linkerhand een bord met de tekst: ANNO DNI 1567 IS DIT WHRWARCK MIT DE LATERNE GEMAEKET, DO DE WERDIGE HEER LAMBARTVS KNASSE PASTOER VND DE ERBARE OCCO HAYES, ARET GERRYS, OLDE STEVEN SMIT, KECKVOGEDEN WERDEN IN DER TIT. De gebruikte taal is het zgn. middelnederduits. Lambertus Knasse is bekend als de pastoor die met de abt van Feldwerd verwikkeld was in een proces om de kapel van Watem. Het uurwerk met de lantaren is volgens dhr. A.Pathuis bedoeld als lichtbaken voor de schippers op de Eems. Maar hoe groot moet deze lantaren dan wel niet zijn geweest en hoeveel licht moet zij hebben gestraald? Waarschijnlijker lijkt het, dat het de verlichting van het uurwerk in de kerk betrof waarop tijdens de eredienst gekeken kon worden. Een verlichting van de wijzerplaat was wel nodig als men, in de donkere perioden van het jaar, ook binnen wilde weten hoe laat het was. Aan de zuidzijde van de kerk vindt men een oud gedenkbord ter nagedachtenis aan de ontberingen en verwoesting tijdens de tweede wereldoorlog. Hier tegenover vindt men aan de noordzijde het laatst aangebrachte gedenkbord ter nagedachtenis aan alle oorlogsslachtoffers in Holwierde. De oude gewoonte om mensen in de kerk te begraven, is ook in Holwierde nog zichtbaar. Voor en naast de kansel, voor het koor en hier binnenin, liggen verschillende grafzerken. De twee oudste grafzerken dateren van 1621. Daar onder rusten Johan van Laxten, de oude pastoor-predikant en zijn vrouw Greta Hoitinga. Daarnaast Johan van Laxten (1644), een zoon van de vorige en ook predikant. Op verschillende zerken staan spreuken geschreven en een aantal zijn versierd met ornamenten. Rondom de kerk zien we ook verscheidene grafzerken op het oude kerkhof. Om het kerkhof lag vroeger een grote gracht. Om de aanleg van de Hoofdweg mogelijk te maken is de kerkgracht gedempt en is aan de noodwestzijde een stuk van het kerkhof afgegraven. Deze afgraving leidde tot veel ergernis van de omwonenden. Skeletten lagen her en der verspreid en schedels werden soms op de wagen met grond meegevoerd. Wanneer de ringweg toen al om het dorp was aangelegd, dan was deze hele operatie misschien niet nodig geweest.

Het collatierecht
De bevolking van onze kuststreek had zich het recht verworven om op eigen grond kerken en kapellen te stichten zonder toestemming van bovenaf. Uit dit recht is het Ommelander patronaats- of collatierecht voortgekomen. De opvolgers van de kerkstichters hadden het recht om een priester en later een predikant te benoemen. Bovendien hadden zij te beslissen over de bestemming van de inkomsten uit de kerkelijke goederen. Door aankoop, huwelijk of vererving konden meerdere stemmen uit de collatie aan één familie komen. Sinds de reformatie hebben Ommelander jonkers getracht een meerderheid te verwerven in de collatie, waardoor zij zich primus collator konden noemen. Een unicus collator had zelf alle stemmen in één hand weten te verenigen. Door het aanbrengen van familiewapens op kerkmeubelen, het plaatsen van herenbanken en het ophangen van rouwborden kon een kerk zelfs het karakter krijgen van een familiekapel. Tevens betwistten de jonkers elkaar veelal de “retschap’,
het uitoefenen van de rechtspraak In Holwierde zijn vanaf het begin van de 14e eeuw de families Bouteda en Ripperda min of meer continue te volgen. In 1317 was Eppo Bouteda één van de aanzienlijkste inwoners van Fivelgo. Ook ten aanzien van de jurisdictie in de rechtstoel Holwierde- Marsum had hij belangrijke rechten. In de 15e eeuw zijn de Bouteda’s in mannelijke lijn uitgestorven. In 1469 kwam toen het erfdeel in handen van de familie Rengers. Omdat deze familie hier niet woonde, wisten de Ripperda’s uiteindelijk de belangrijkste hoofdelingen te worden in Holwierde omdat zij tot in de 13e eeuw haar wortels had liggen in de parochie Holwierde. In de 15e eeuw verwierven de Ripperda’s de aandelen in de rechtstoel, welke in 1474 door de keizer werd bevestigd. Tot 1630 zou deze hegemonie duren en zij hadden dus ook het overwicht in de collatie. Illustratief daarvoor is dat op het gedenkbord van het uurwerk uit 1567 naast de namen van de pastoor en de kerkvoogden het wapen Ripperda is afgebeeld. Na de reductie zijn verschillende collatoren vermeld maar als primaire collatoren hebben gefungeerd de heren van Nittersum to Stedum, baron van Lintelo en daarna Jan Harman Gerlacius. In 1815 werd het collatierecht verkocht aan R.T. Mees te Appingedam. Van 1820 tot 1850 was Fokko Mees predikant in Holwierde. Kerkvoogden en notabelen namen later de rechten over.

Tot slot
De pastoors die de parochie van Holwierde hebben gediend hadden het alleenrecht op de zielzorg van de parochianen. Hij moest op zondagen en kerkelijke feestdagen de heilige mis opdragen, hij diende de sacramenten toe en nam de biecht af. Ook behoorde de armenzorg tot zijn werkzaamheden. Daarnaast was hij verantwoordelijk voor het kerkgebouw en beheerde hij de kerkelijke goederen. Op den duur werd hij in deze taken bijgestaan door kerkvoogden, die daartoe door de collatoren of parochianen uit hun midden werden aangesteld. De koster had tot taak de parochieregisters bij te houden. Van doop, huwelijk of overlijden is uit die tijd echter niets bewaard gebleven. De pastoor kon zich laten helpen of vervangen door een kapelaan of
een vicaris. In Holwierde is al in de 13e eeuw sprake van meer dan één priester. In 1414 wordt de heer Meent de hoofdpriester in Holwierde genoemd, terwijl in 1502 naast heer Tyado, kerkheer, de vicaris, heer Johannes wordt genoemd. Het is zeer waarschijnlijk dat in die tijd de kapel te Hoogwatum door een priester van Holwierde werd bediend. Een derde deel van de inkomsten moest gebruikt worden voor het gebouw en de liturgie, een derde deel was voor de armen bedoeld en een derde deel diende voor het levensonderhoud van de pastoor. De inkomsten kwamen voort uit het eigen grondbezit van de kerk en de tienden, een kerkelijke belasting die sinds de Karolingische tijd aan alle onderdanen was opgelegd. Daarnaast ontving de pastoor meer of minder vrijwillige offergaven in natura of geld en een verplicht honorarium voor parochiale handelingen zoals het toedienen van het doopsel en het opdragen van zielemissen. In het openbare leven vervulde de pastoor een belangrijke rol door met zijn zegel juridische handelingen te bekrachtigen. Na de reductie in 1594 konden de dorpspastoors zich laten omscholen en op de eerste synode in 1595 werden elf pastoors beoordeeld. Onder hen was ook Joannes Meerwijck de Grafia van Holwierde. Vanaf 1621 waren de pastoors verplicht op zondag de catechismuspreek te houden om het volk te onderrichtten.

De volgende voorgangers zijn vanaf de reformatie in Holwierde werkzaam geweest:

1595  –  1599     Joh. Meerwijk de Grafia, voorheen R.K. priester
1599  –  1622     Joh. A. Laxten, beroepen van Siddeburen
1622  –  1644     Joh. A. Laxten, zoon van de vorige en beroepen van Uitwierde
1646  –  1681      Emanuel Gemminga, beroepen van Thesinge
1683  –  1718      Beno Uden, beroepen van Tolbert
1720  –  1757    Joh. Rijpma
1757  –  1773    Joh. Bulthuis
1774  –  1819     Aerm. Edelinck
1820  –  1850     Fokko Mees
1850  –  1857     Adriaan L. Poelman
1858  –  1900     J.M. Doorenbos, beroepen van Garsthuizen
1901  –  1937     Joh. W. Hannema
1937  –  1946     M.A. Visser
1946  –  1950     A.W. Kok
1950  –  1957     J.W. Doeve
1958  –  1966     J. Jukema
1968  –  1971     J. van Leeuwen
1971  –  1975     W. van Staveren
1975  –  1980     J. Westerhof
1982  –  1988     S.H. Lanser
1989  –  1998     G. Ezenga- Dijksterhuis
1999  –  2003    G. A. Segger
2003  –  2006    A. Boonstra
2009  –  2013    K. Hansen

De kerk is eigendom van de hervormde gemeente Holwierde- Krewerd en sinds 1 januari 2001 vormde zij een samen-op-weg gemeente met de gereformeerde kerk Bierum- Holwierde.
Op 23 maart 2003 is een federatie-overeenkomst getekend tussen de SOW-gemeente Bierum- Holwierde- Krewerd en de hervormde gemeente Bierum en per 1 mei 2004 draagt zij de naam Protestantse gemeente Bierum- Holwierde- Krewerd.

De kerkdiensten vinden afwisselend plaats in de Irenekerk en de Sebastiaankerk te Bierum en in de Stefanuskerk te Holwierde.

De Stefanuskerk bezit een eigen kerkzegel. Hierop staat een mandje met broodbollen afgebeeld dat verwijst naar het wonder van de spijziging van Jezus’ toehoorders.

Holwierde Hervormde Kerkzegel

Tot 1 oktober 1983 was de kerk van Krewerd ook nog eigendom van de hervormde gemeente Holwierde. Omdat het steeds moeilijker werd om de gemeente in stand te houden, werd besloten deze kerk over te dragen aan de Stichting Oude Groninger Kerken.
De kerk in Krewerd is rond 1970 grondig gerestaureerd en is zowel in haar geheel als in onderdelen één van de meest waardevolle Ommelander kleinodiën.

Jacqueline de Jonge – Stallaert.

Geraadpleegde literatuur:
– Het Bierumer Boerderijenboek onder redactie van dhr. E. de Boer, 1996 – Bierum
– de zes dorpen van de voormalige gemeente Bierum, O. Dallinga
– Voorheen en Thans, dhr. D. H. Ferré  Jacobs, 1909
– Groninger gedenkwaardigheden, A. Pathuis, 1977
– In de voetsporen van Emo en Menco, kroniek van Wittewierum
– De Groninger volksalmanak, J.W. Formsma, 1960
– Kloosterarchieven en het Cartularium van Feldwert uit het Rijksarchief Groningen

Voetnoot:
De artikelen zijn oorspronkelijk geschreven in februari 2003 en geplaatst in het contactblad van de S.O.W. gemeente Bierum- Holwierde- Krewerd en in “Aan weerszijden van de Heekt”, de dorpskrant van Holwierde-Krewerd.
Voor plaatsing op de website zijn de artikelen aangepast in november 2006.

Lees meer over het plan om tot herstel van de oude monumentale inrichting te komen.