Holwierde


MIEN DORPKE HOLWIER
tekst: Dhr. J. Engelsman (geboren 01-01-1918 en overleden 20-12-2003)
geschreven in 1999

Mien dörpke Holwier zoals ik mij dat herinner uit de tijd dat ik nog klein was. Zeg maar: ‘De twintiger jaren’ van deze eeuw.

Wat waren er toen veel kleine winkeltjes, snoep- en kruidenierszaakjes in dit dorp. Ik probeer ze mij te herinneren:
Aan de weg naar Nansum het winkeltje van vrouw Wiersma. In een kamer van hun woningbouwhuis werd het winkeltje gedreven. Het moet heel miniem en petieterig zijn geweest, maar als klein kind zag je dat anders. Haar man was boerenarbeider.
In Nansum was er net zo’n soort winkeltje van vrouw Bosker. Haar man was, meen ik, schoenmaker. Zij deed het winkeltje erbij.
Tegenover de begraafplaats, waar ik naast woonde, had je Hoving. Hoving was schoenmaker en had ook een klein kruidenierszaakje.
Op de driesprong bij de pastorie stond het café annex kruidenierswinkel van Harmanni, later Doornbos.
Aan de Damsterweg had je nog de winkel van Paapst. De vrouw dreef de winkel. De man werkte bij Bleeker, de molenaar-houthandelaar.
Naast Bleeker aan de Hoofdweg had je het snoepwinkeltje van ‘Moeke Oosterheert’. Haar man was een oud-oostindiëganger.
Ook aan de Hoofdweg de kruidenierswinkel van Jan Scheper, een echt wat grotere zaak.
Aan de Krewerderweg hield vrouw Meerman er ook nog een zaakje op na, meest koffie en  thee.
Als ik niets vergeten ben, zijn dit 8 winkels, de meesten heel klein, die men kruidenierszaken zou kunnen noemen. De omzetten en winst van deze zaakjes kunnen maar heel miniem zijn geweest. De ondernemers hadden hun eigen gebruik in elk geval tegen inkoopprijs, hun eerste voordeel.

Verhoudingsgewijs echte grote bedrijven waren:
De zuivelfabriek ‘De Toekomst’ een boerencoöperatie.
De houtzaag- ,pel- en korenmolen ‘de Hoop’ van Bleeker, die ook houthandelaar was.
De steenfabriek van Ekema.
De korenmolen van Norden.

Het dorp was vier kroegen rijk:
Harmanni, later Doombos
Vrouw De Munck, later Bertus de Boer
Gezusters Nienhuis
Hendrik de Jong

Er waren twee smeden: Elenius en Gorter. Op het pand van Elenius was een bord aangebracht ‘hoefsmid met rijksdiploma’. Of Gorter ook zo’n schild had weet ik niet.
Midden in het dorp had je een wagenmakerij /kuiperij. We noemden hem koeper Mulder. Hij maakte o.a. botervaatjes voor de zuivelfabriek.
Er waren twee kleermakers (snieders): Schepel en Poort.
Van Dijken maakte mosterd, een primitief mosterdfabriekje dus.
Hagenouw had een winkel in textiel. Ik herinner me dat ze in de winkel een papagaai in een kooi hadden, die ‘Marioa’ riep. De naam van vrouw Hagenouw. Ook schold hij: ‘dikkop, dikkop’.

Het kleine dorp had:
drie bakkers: Bos (later Kugel), Bronsema ( later Oosterheert ) en v.d Ploeg (later Danhof)
twee slagers: Oosterheert en Merema
twee fietsenmakers: Herman Scheper en Berend Weessies

Voerlui:
ten Hove, strorijder. Bracht stro van de boeren naar de strofabriek in Appingedam.
Zark en v.d. Ploeg waren melkrijders.
Kool en Toxopeüs onderhielden bode karritten
Van der Linde en Klinkhamer waren korenschippers. Zij brachten graan in zakken naar Groningen.

Brandstoffenhandelaren: Kool, Toxopeüs en Klaas Bronsema (aan de Uiteinderweg).
Scheper begon samen met Riekent Mulder een garagebedrijf en busonderneming.
Er waren twee aannemers: Kuin en Wildeboer en ook twee schilders: Gast en van Bergen. Later kwam mijn zwager Freerk Papeleur daar ook nog bij.

In het dorp waren twee scholen. De Openbare school met meester Renkema, meester Kolk en juffrouw Homan. De Christelijke school met meester Evenhuis, juffrouw v.d. Veen en een meester wiens naam ik niet meer weet. Met de school van meester Evenhuis hadden wij van ‘de Openbare’ weinig contact.

Sinds mensenheugenis was ds. Hannema de plaatselijke hervormde predikant. Een actief man. Alle zondagen 2 x preken, dat was toen zo. Hij gaf zelf zondagsschool en bijbellessen op de Openbare school. Hij leidde de jongelingsvereniging en deed al het pastorale werk dat zich voordeed.

De gereformeerden in Holwierde hoorden bij Bierum. Tussen de hervormden en gereformeerden waren weinig contacten. Er bestond een zekere ‘verzuiling’.

De meeste werkgelegenheid verschaften de boeren. Alle werk was in die tijd handarbeid en paardenwerk. De mechanisatie van de landbouw en veeteelt was nog ver weg.
Agrarisch waren ook de fruit- en bessentuïnen, die het bestaansmiddel vormden voor mijn ouders, oom Popko van Velsen en Ate van der Molen. Markt- en weergevoelig als deze bedrijven waren, leverden ze maar een sober bestaan op voor lang en hard werken.
Piet Hageman van Nansum bracht de producten van deze bedrijven met zijn wagentje en klein paardje naar de veiling in Loppersum. Het was een feest als je als kind een keer met hem mocht meerijden.

Ik heb al twee schoenmakers genoemd: Hoving en Bosker. Maar er was ook nog een derde: Vrieling.Hij woonde wat achteraf, achter Jan Scheper en ten Hove. De man had een huishoudster, maar was in zijn jongere jaren getrouwd geweest met een verre bloedverwant van mijn moeder. Door een ernstige zeer kortstondige ziekte was die, een week na de bruiloft, geheel onverwacht en plotseling overleden. De man is nooit hertrouwd.

Tegenover smid Elenius woonde Kugel, die leedaanzegger en doodgraver was. Hij was betrokken bij alle sterfgevallen uit het dorp. Begrafenissen gingen toen altijd in plechtig zwart. Kinderen van overleden ouders droegen een zwarte rouwband om de arm. Dat weet ik nog heel goed.

Ver van het dorp, aan de zeedijk bij Uiteinde stond de vuurtoren. In de toren waren twee woningen van de beide vuurtorenwachters en er stond ook nog een afzonderlijke woning. Een van de vuurtorenwachters was Beukema, de vader van mijn oom Riepke. Later was er een Franke, waarvan er twee jongens bij mij op school zaten.

Een dokter was er niet in Holwierde. Wel in Spijk. De meeste mensen gingen naar dokter Zuidhof in Spijk. Kiezen en tanden trekken, met of zonder verdoving, deed hij ook. Dat heb ik zelf meegemaakt. Dokter Zuidhof had eerst een motorfiets, later een auto.

In de lange zomer van 1921, ik was drie en half, raakte het water bij veel gezinnen op. De regenbakken en de putten waren leeg. Waterleiding was nog tientallen jaren ver weg. Met melkbussen vol werd door de ‘voermannen’ water aangehaald. Ik denk vanuit Appingedam. En dan kon men weer verder. Dit was in het begin van de jaren twintig. Aan het eind kwam de barre winter van 1929, waar nog lang over nagepraat is. De Waddenzee en de Zuiderzee lagen dicht en konden met auto’s worden bereden.

Waar ook lang over nagepraat werd, was de moord op vier veldwachters in januari 1929 door Uje Wijkstra. Dit verschrikkelijk gebeuren vond plaats in de gemeente Grootegast en is daar zelfs nu nog lang niet vergeten. De dochter van de veldwachter v.d. Molen en de zoon van veldwachter Werkman hebben wij, mijn vrouw en ik, goed gekend.

Huishoudens die zelf geen koe of geit hadden en toch melk moesten of wilden hebben, betrokken dat dan van een buurman of van de zuivelfabriek. Bij de zuivelfabriek kon men als particulier, ‘s morgens melk kopen. Ik meen voor ongeveer 6 cent per liter. Ook kon men bij ‘de kar’ kopen van Dijksterhuis aan de Krewerderweg die melk en karnemelk uitventte met een kar en paardje. Zijn dochter Trientje deed ook een deel van de klandizie met een handkar. Als kind mocht je wel eens ‘helpen’ met duwen. De melk werd met een ‘kansmaat’ uit een melkbus gehaald en in een emmer of pan van de klant gedaan. En er werd altijd een klein schepje extra bij gedaan omdat anders misschien geen volle maat was geleverd.

Petroleum werd uitgevent door Tammeling die met zijn autootje de dorpen bezocht. De motor van die auto, een Ford, moest op gang worden gebracht met een slinger. De blikken petroleum hadden het merk ‘Automaat’. En periodiek reikte Tammeling de klanten een blad uit, dat ook ‘Automaat’ heette. Voor de kinderen stond daar een vervolgverhaal in met plaatjes van een negerfamilie. Pa en moe Roetmop met hun zoontje Pijpjedrop. Wij waren gek op deze strip, want Pijpjedrop beleefde namelijk heel wat avonturen. En steevast eindigde elke aflevering met de beroemde zin: “hoe ‘t Pijpjedrop vergaat, staat in de volgende Automaat”.
De fietsenfabriek Gazelle verspreidde via de fietsenmakers af en toe ook een soort stripboekje over ‘Pieter Pelle op een Gazelle’. Bij de jeugd van toen zeer geliefd.

Om nog even terug te komen op Tammeling. Hij had een zoon die later dominee is geworden. Baptistenpredikant. Dat was natuurlijk tientallen jaren later dan 1920-1930, waar ik het over heb. Deze ds. Tammeling heb ik nog wel meegemaakt in de 70’er/80’er jaren bij preekdiensten in het Menno Lutterhuis in Groningen.

Een groot deel van de dorpsbewoners was betrokken bij de agrarische sector: de boeren, de meiden, de knechten en de arbeiders.
Veel boeren hadden een gemengd bedrijf. Ze verbouwden o.a koren en vlas en hadden koeien, soms ook schapen. Enkele boerderijen die zo om het dorp lagen (niet volledig): Siert Ritsema, Here Doombos, Lesterhuis, Kneels Elema, De Boer, Veenkamp, Jan Bos (Klein Wierum), van Weerden, Smit, Groenewolt, Klaas Ritsema (Boutenheerd).
Het vlas moest worden getrokken en daar waren vlastrekkers voor nodig die als ‘koppel’ van de ene boer naar de andere boer gingen. Klaas Bos van het Stenenpad was een ‘koppelbaas’. In diezelfde tijd hadden wij bessentuinenplukkers nodig, zodat daartussen soms concurrentie was. Meestal losten de problemen zich wel op. Wij hadden het meest een vaste kern van jonge vrouwen die de bessenpluk deden. Eerst de zwarte en dan de rode bessen. We verbouwden daarnaast een klein kwantum witte bessen en kruisbessen. Zoals gezegd, alles werd geleverd aan de veiling in L0ppersum, vervoerd door Piet Hageman van Nansum.

Mijn lagere schooljaren begonnen 1 april 1924. Ik  was 6 jaar. Tevoren moest je ingeënt worden tegen pokken en kreeg je een pokkenbriefje dat ingeleverd moest worden op school. Juffrouw Homan gaf les in de 1 e en 2e klas. Zij woonde op een kamer bij de fam. Groothof, in een huis dat stond naast waar Mina Weessies heeft gewoond. Groothof werkte, naar ik meen, op de zuivelfabriek. Op de plek van Weessies zijn huis stond toen een ander huis, bewoond door de fam. Adema. Hij was wegarbeider en tevens kapper-barbier.

Toen ik op school kwam werd het oude gebouw al gauw gesloopt en bouwde men een nieuwe (dit schoolgebouw wordt nu bewoond door de fam. Arkema). Er was ook een gymnastieklokaal. Onze klas werd ondergebracht in een stuk van de kerk. Later verhuisden we naar de nieuwe school. De nieuwe school had 4 lokalen: klas 1 en 2, klas 3 en 4, klas 5 en 6 en klas 7. Kleuters gingen in die tijd nog niet naar school. De meester van de ‘middenschool’ was Kolk en van de ‘bovenschool’ was Renkema, het hoofd van de school. Ik  heb de school met goed gevolg doorlopen en mocht toen ik 12 was, op 1 mei 1930 naar de ULO in Appingedam.

Naast de school was er ook zondagsschool. De zondagsschool werd gehouden in een lokaal van de Openbare school. De zondagsschool bestond uit één groep lagere schoolleerlingen.
Ds. Hannema leidde de zondagsschool zelf. We moesten een versje leren uit Johannes de Heer en kunnen opzeggen. Je kreeg, als je het versje goed kon opzeggen, een punt. Voor meer punten een kaartje met een bijbeltekst. Ik meen dat voor een aantal van deze kaartjes weer een mooiere en grotere plaat te krijgen was. Hoe dit allemaal precies ging is me ontschoten.We leerden de liederen uit Johannes de Heer ook te zingen onder leiding van, jawel, dezelfde ds. Hannema. Tijdens het zondagsschooluurtje vertelde ds. Hannema ons de bijbelse geschiedenis. Met kerstmis was er zondagsschoolfeest. Geen kerstboom en versieringen. Wel traktaties: chocolademelk en een sinaasappel. Vertellingen en zingen en ieder kreeg een ‘kerstboek ‘ cadeau. Het gebeurde in het schoollokaal waar we elke zondag kwamen.
Ds. Hannema betaalde alles uit eigen zak. Op dit kerstfeest werd ook afscheid genomen van de oudste kinderen die de lagere school hadden doorlopen. Je kreeg dan een kerkboekje of een bijbeltje.

Nog even wat over het lesmateriaal op de lagere school: kroontjespen, inktpotje met schuifje, geen lei of griffel, geen potloden. Leesplankje: aap-noot-mies. Leesboekjes: Ot en Sien en Pim en Mien. In de lokalen hingen grote wandplaten met voorstellingen uit de vaderlandse geschiedenis of over de natuur van heinde en ver. Over de gebruikte boekjes in de hogere klassen herinner ik me niet zoveel.

Groningen, 15 juli tot 22 juli 1999 J. Engelsman