Holwierde


KLOOSTER FELDWERD OF OLDENCLOOSTER TE DEN DAMME

Ten noordwesten van Holwierde ligt de deels afgegraven wierde Feldwerd. Het oostelijke deel van deze wierde is nog intact en hierop staan thans de boerderij van de fam. M. Goense en het woonhuis van dhr. B. Arkema. De N33 schampt de rand van deze wierde aan de oostelijke zijde.

Op deze wierde heeft lang geleden het klooster Feldwerd of Oldeclooster te den Damme gestaan.
Een uniek overblijfsel van deze ab­dij was lange tijd “eene oude, ruime put of ronde opgemetselde bron, op het hoogste punt van eene terp, en steeds kostelijk water opgeeft, zoodanig dat het er bestendig onderscheidene voeten hooger staat, dan het omliggend maaiveld is’.

Klooster Feldwerd werd als benedictijner klooster gesticht door Hathebrand, wiens ouders woonachtig waren op Katmis, de westelijke wierde van Holwierde.
Hathebrands geboortejaar is onbekend. Het ligt in het begin van de tweede helft van de 11de eeuw, zo omstreeks 1150. Zijn ouders Alundus en Tetta waren kleine boeren. Ze woonden op een wierde – een woonheuvel die opgeworpen werd tegen overstromingen van de Noordzee, of misschien beter de Waddenzee – die Katmis heette. Het huwelijk van Alundus en Tetta werd aanvankelijk niet gezegend met kinderen en dat maakte dat Alundus een afkeer kreeg van zijn vrouw. Hij trok weg naar een ander dorp in diezelfde regio (Usquert ?) en trad daar in dienst van een aanzienlijk heer.

Nadat hij deze enige jaren uitmuntend had gediend, verscheen hem `s nachts in zijn droom een engel die hem zei dat hij naar zijn vrouw terug moest keren. Indien hij aan dit bevel gevolg gaf, zou hij toch nog een zoon krijgen. Alundus gehoorzaamde en zijn vrouw, die blijkbaar in zijn afwezigheid de boerderij had beheerd, ontving hem hartelijk in hun huis. Inderdaad baarde Tetta na enige tijd een zoon, die zij `Hathebrand’ noemden. Blijkbaar was deze goed van verstand, want hij ging naar (de Latijnse) school en werd monnik in het Benedictijnenklooster van Utrecht. Toen zijn vader en moeder waren overleden, gebruikte hij zijn erfdeel om een klooster te stichten. Het werd een dubbelklooster, d.w.z. een klooster voor zowel mannen als vrouwen, die natuurlijk wel gescheiden moesten leven. In de loop der eeuwen werd het meer een vrouwenconvent onder leiding van enige priesters.
In het begin ging het niet zo goed met het klooster. Vele mensen die intraden, begrepen de orderegels niet altijd en Hathebrand, die aan die ene kant streng en rechtvaardig wilde zijn en aan de andere kant ook begreep hoe moeilijk het voor de mensen was het kloosterleven in al zijn facetten te aanvaarden, kreeg het zwaar te verduren. Er werd zelfs eens een aanslag op zijn leven gepleegd, maar door God gewaarschuwd, nam hij voorzorgsmaatregelen. Hij deed een ijzeren pot onder zijn capuchon en zo overleefde hij een ferme slag op zijn hoofd. De voortdurende strijd van onze charismatische abt tegen bijgeloof en voor de handhaving van de orderegels in die beginjaren maakte dat een zeer goede monnik uit het klooster wilde vertrekken, omdat hij zich stoorde aan de levenshouding van anderen. Gelukkig kon Hathebrand, hem overhalen om te blijven, want vanzelfsprekend had hij de steun van zulke mensen juist erg nodig. Na enige jaren ging het beter met het convent en zag Hatebrand kans nog andere kloosters te stichten, namelijk één in Oost- Friesland `Merehusen’ genaamd en één in de nabijheid van de stad Groningen, `Thesinge’ of `Germania’ genoemd.

Op een visitatietocht van Hathebrand naar Merehusen vroeg een vrouw hem haar te genezen van de voortdurende pijn in haar arm. Na Hathebrands gebed tot God was de vrouw haar pijn kwijt en verkondigde zij haar genezing over heel de streek. Zodoende bracht zij de abt grote bekendheid. Ze bracht hem ook in verlegenheid, want bescheiden als hij was, meed hij alle roem en eer en wilde niets liever dan zijn Heer op een onopvallende manier dienen.

Hathebrand van Feldwerd, de grondlegger van de Benedictijnenkloosters in Groningen en Oost-Friesland is volgens de overgeleverde abtenlijst van het klooster op 30 juli 1183 overleden.

De zestiende eeuw was rampzalig voor het klooster van Feldwerd. Het complex had in 1581 met natuurgeweld te kampen gehad en een bericht daarover luidt: “is op den xxvii Novemb. een groot onweer ontstaen, want de Donder in ‘t Olde-clooster by den Dam de kloeken uytgesmeten heeft, de Beelden en Altaren geraseert, een Peer-Boom ge schelt, en de Begijnen klederen gesengt’. In 1584 werd de abdij door soldaten geplunderd en in 1588 sloeg de bliksem in de kloosterkerk.
Toen prins Maurits van Oranje in 1594 de provincie Groningen veroverde, werd het gewest toegevoegd aan de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en werd de Rooms Katholieke godsdienst in de provincie verboden. Alle kloosters werden er opgeheven, en hun bezittingen aangeslagen. Toen de laatste abt stierf in 1608 bleven er nog drie nonnen over.

Zij waren letterlijk kerk en goed (1200 ha) verloren en hun restte nog enkel het gebeente van de door hen diep vereerde Heilige Hathebrand. Die wilden ze niet door de reformatie bezoedeld zien. Toen de subpriorin stierf (en ze nog met twee achterbleven) riep één van hen – Joanna Dirricks – de bijstand in van Nicolaas Jaspers, een koopman uit Appingedam. Met zijn hulp haalden Joanna en haar medezuster de botten van de Heilige uit de tombe. Zij gaven de resten mee opdat zijn nagedachtenis niet verloren zou gaan.

De gunstige tijd (1609, bestand tussen Spanje en de Republiek) lieten de koopman toe te reizen tot in Antwerpen, waar hij zijn kostbare last afleverde aan de prior van het San Salvator klooster. Deze prior bezat echter reeds relieken van 35 heiligen en vroeg raad aan de Bisschop van Antwerpen, onder wiens gezag een commissie van toezicht de echtheid van de botten bevestigde. Zo bekwam het klooster de relieken van hun 36e Heilige. Bij het opheffen van het klooster na de Franse Revolutie kwamen de relieken overigens terecht in de Sint-Andrieskerk te Antwerpen.

Bernardus Weerts, abt van de kloostergemeenschap van de Heilige Verlosser van de Heilige orde van Citaux in de stad en het bisdom Antwerpen (San Salvatorklooster, ook wel klooster Pot genoemd in de Potstraat te Antwerpen) bevestigde met een schrijven in 1704 de echtheid van de relieken van de Heilige Marculphus en Hatabrandus. Via de secretaris van Reginaldus Coels, Bisschop van Antwerpen komt een deel van de relieken in datzelfde jaar in handen van Vrouwe Carolina Theresia Dubois (genaamd Van den Bosch), begijn van het Groot Begijnhof te Brussel. Deze laatste bezorgde de relieken “uit vriendschap en dankbaarheid” aan Pastoor De Vaddere.

Pastoor de Vaddere schrijft:

Ik heb deze relikwieën (in een ovaal bronzen kistje, aan de binnenkant helemaal versierd en aan de buitenkant zeer kunstig voorzien van een grote zilveren ring) in processie van uit ons herderlijk huis (de pastorie) in Kortrijk overgebracht naar onze parochiekerk aldaar met grote plechtigheid, en toen ze daar binnengebracht zijn, heb ik met grote feestelijkheid en grote toeloop van volk een jubelviering gehouden op deze 22e juni 1704, en op de dag zelf van de jubelviering zijn er verschillende verbazende dingen gebeurd, om niet te zeggen mirakels, bij mensen die door de geneesheren opgegeven waren, zoals eveneens op de actaafdag zelf en in de loop van de tijden.


In 2004 is in opdracht van de Stichting Boerderijenboek Gemeente Bierum, het boek met als titel “De stichter, de stukken en de schenkers van het Oldenklooster bij Den Dam” uitgegeven door Aczon Druk BV, Winschoten.
Dit boek is geschreven door drs. Edze de Boer, historicus en geboren en opgegroeid in Holwierde, met medewerking van drs. Redmer Alma.
Een bijzondere uitgave met zeer veel informatie over de stichter Hatebrand en het wel en wee van het Oldenklooster te Feldwerd.