Holwierde


“Uit het duistere verleden”
Serie artikelen geschreven door wijlen dhr. H. Stoppels te Nansum en oorspronkelijk geplaatst in de dorpskrant “Aan weerszijden van De Heekt’  tussen februari 1981 en maart 1985.

Holwierde
Zoals ik beloofd heb  zou de volgende aflevering gaan over de wierde Holwierde of Holtwirth en vroeger vast de voornaamste wierde hier ter plekke want hier staat de kerk en voorheen de Juffertoren en de rondtrekkende rechter sprak hier recht.
Wat omvang betreft is deze wierde echter het kleinst gebleven en heeft een hoogte bereikt van 2.82 + N.A.P. Mijns inziens is door de bouw van de kerk op de wierde de omvang en de groei in het gedrang gekomen. In de directe nabijheid van de kerk en de toren was geen bewoning meer en hierdoor bleef de natuurlijke groei van de wierde achter.

Vanaf Bantsum naar Holwierde komend, ziet men rechts de Hervormde Pastorie, in het jaar 1900 hier gebouwd. Ds. J.M. Doornbos stierf op 10 juni 1900. Ds. Joh.Willem Hannema kon op 26 mei 1901 de nieuwe pastorie betrekken. Links van de weg Cafetaria Het Trefpunt, voorheen de broodbakkerij van de fam. Kugel en nog eerder van bakker Bos. Dan weer rechts de winkel van Tj. Lalkens, voorheen van P.v.d. Linde en weer daarvoor de bloeiende zaak van de fam. B. Doornbos. Dhr. Doornbos was caféhouder, kruidenier en veehouder. Hij kocht en verkocht ook ruwvoeders voor de veehouders. Voor de fam. Doornbos dreef de fam. Harmanni deze zaak. Veel eerder, in het jaar 1854 woonde er ene Sebo Toxopeüs en in 1824 woonde Eppe Hindriks Ekema er.

De toenmalige café-bazen tekenden meestal de akten van verkopingen etc. die er in hun café plaatsvonden. De notaris wist wel dat die lieden meestal het schrijven machtig waren. Ook kwam hier de rondtrekkende rechter langs met de paardenkoets. Het is maar al te goed bekend dat de straffen in die dagen niet gering waren. Vele jaren na de Tweede Wereldoorlog was het café met doorrit nog volledig in gebruik.

Naast het café de fietsenzaak van de fam. Weessies. Dit huis is na de oorlog herbouwd omdat het tijdens de bevrijding van Holwierde bijna geheel verwoest werd. Hier woonden altijd al neringdoenden. Voor de fam.Weessies woonde er een zekere Adema. Hij was grindwegmaker bij de Provincie op de weg van Appingedam – Losdorp. Tegenwoordig noemt men zo iemand kantonnier. Daarnaast was dhr. Adema ook barbier en kapper. Voor kwajongens had hij één model, van voor naar achteren kaal. Voor Adema woonden er Luitje Molenaar en zijn vrouw Gepke Tol. Dhr. Molenaar was schoenmaker. Waar de oude Openbare School stond, nu Credo, stond eerder de oude pastorie, waar ds. J.M. Doornbos 42 jaar lang woonde. Naast dominee was hij boer en hij had een knecht. Aan de pastorie was ook een school gebouwd. Rond 1900 is dit alles veranderd. Achter het huis van de fam. Weessies stond de befaamde Juffertoren.  De legende van de drie Juffers zal ieder wel bekend zijn. Van de drie Juffertorens was deze wel de hoogste en daarom waarschijnlijk ook het meest kwetsbaar. De toren is in het jaar 1855 gesloopt. Op een oud schild in de kerk kan men nog lezen: “Anno data 1567 is dit uurwerk met de lantaarn gemaakt door de waardige heer Lambertus Knasse, pastoor en de eerbare Occo Hayes, toen Aret Gerrijs en oude Steven Smit kerkvoogden waren”. De lantaarn is aangebracht als baken voor de scheepvaart op de Eems. Op oude kaarten kan men nog zien dat de vaart op de Eems precies anders gesteld was als op de huidige dag. Zoals nu de vaarroute op de Eems aan de Duitse zijde is, zo was vroeger de vaarroute langs de Nederlandse kust.

Ferre Jacobs schrijft over de toren het volgende, ook dit had de man overgenomen van een 85-jarige bewoner van Holwierde: de toren stond op enige afstand van de kerk, niet ver van de oude pastorie en diende als baken voor de zeevaart. Toen dit gevaarte, want dat was het terecht, begon te hellen naar het zuiden werd er 100 voet (± 30 meter  van af gebroken en er bleef 107 voet staan. De toren is toen door het Rijk overgenomen, die het  gebouw liet voorzien van nieuwe balken en zolders. De hoogte werd weer gebracht op 207 voet, de top gedekt met lei, maar nadat op zekere tijd door wind, een groot aantal dezer leien werden afgeworpen, werd de toren met zink gedekt, en aan de hoeken met koper. Men mocht de toren toen zoals men het uitdrukte “mooi” noemen. In 1836 op den 29 november, s’avonds tussen 7 en 8 uur, viel tengevolge van een geweldige storm de gehele spits naar beneden. Dat was voor het dorp een tijd, hoe kort ook, van grote angst. Er vielen echter geen doden. Men heeft toen de toren dichtgemaakt. Van de twee klokken was één zo groot dat 6 man die moesten luiden. De toon was bij uitstek krachtig en schoon en zeer ver in de omtrek kon men het statige geluid horen. Deze merkwaardige klok is na het slopen van de oude toren in 1855 verkocht voor f.3000,00 aan de fam. van Rijn.
Op deze kolossale klok stond het volgende rijmpje:

Stepfanes ben ik gehieten,
‘t Kerspel Holwierde heeft mij laten gieten.

Daarna is een nieuwe toren van de oude stenen aan de kerk gebouwd met spits. Dit werk kostte f. 2400,– plus een som voor overbouw.
Hoe lang deze het volgehouden heeft weet ik niet maar op de plaats van de toren is nu het voorportaal gebouwd, hierna zal het spitsje dat op het schip van de kerk stond tot aan de bevrijding in 1945 dienst gedaan herbben als toren, en met het herstel van de kerk kwam het nu nog bestaande torentje tot stand. Met het herstel van de kerk en de reconstructie van de provinciale weg door Holwierde is veel van het oude verdwenen. De gracht is gedempt, de wierde verminkt doordat men er een stuk van liet afgraven, en op onfatsoenlijke manier werd met de resten van wat eens een mens was omgesprongen. Op iedere hoek van de grondkarren prijkte soms een doodskop, maar hier werd gelijk een stokje voor gestoken.
De muren van de kerk aan de westzijde, en die van de noord- en zuidvleugel werden zoals u nu kunt zien van de grond af recht omhoog gebracht, voordien was het met een z. g. n. wolfdak afgedicht. Dit was de typische groninger stijl, nu nog alleen maar aan het koorgedeelte zichtbaar. Komt men nu aan de westzijde door het voorportaal de kerk binnen, voordien kwam men zo met het openen van de deur de kerk binnen. Dan waren er eerst twee rijen banken. Rechts zaten de mannen en links de vrouwen.

De preekstoel stond rechts van het schip op de hoek naar de zuidvleugel en hierop stond in mijn tijd ds. Hannema in een statig zwart pak en zonder enige poespas aan zijn lijf, het evangelie te verkondigen, 36 jaren achter één. Na hem kwam ds. Visser. Rond de preekstoel was een vierkante ruimte voor het bedienen van belijdenis en doop. De vrouwenbanken waren even lang als de mannenbanken, maar dwars hierop waren vier banken geplaatst die zo naar de preekstoel waren gericht. De achtersten hiervan waren zo hoog dat degene die liep te collecteren er bijna niet in kon kijken. De kerkvoogden in die tijd hadden hier iemand voor die dat voor een appel en een ei voor hen deed maar de diakenen moesten zelf geld ophalen. Schoenmaker W. Hoving deed dat in mijn tijd voor de heren kerkvoogden en als hij dan bij deze hoge banken kwam, stak hij zijn hengelstok met buil ook in die banken, of er nu iemand zat of niet. In de verdere ruimte waren ook banken, zo geplaatst dat allen de dominee konden zien.

Ook het orgel was op de afscheiding van koor en kerk gebouwd, een trap leidde daartoe naar omhoog. Het orgel is in het jaar 1663 gebouwd, werd door de oorlogshandelingen in 1945 zwaar beschadigd, doch werd in 1950 geheel gerestaureerd en verplaatst naar de westzijde van de kerk. Al met al is er met de verbouwing weinig van het oude bewaard gebleven en heeft men in vele dingen de praktische zijde gekozen. Vaak en veel zal er de loop der eeuwen aan de kerk getimmerd zijn, in het schip zijn de gewelven sinds de 16e eeuw al door een balkenzoldering vervangen. De zoldering is ook al enige keren op en neer gegaan, want voor 1950 was deze lager aangebracht.

De jongste beschilderingen zijn mogelijk uit 1463 en men kan zien dat hier niet veel meer van over is. De symbolen van de evangelisten: Lucas – rund, Matthëus – mens, gestalte, Johannes – adelaar, Marcus- leeuw en enkele heilige fragmenten. Ook zichtbaar is aan de noordwand St. Sebastiaan en aan de zuidzijde een jachttafereel. Van de oude preekstoel schrijft Ferre Jacobs al in 1909, dat deze niet al te best meer is, men heeft hem geverfd.
Gewezen op de vele spijkers en krammen die men er her en der heeft ingeslagen, en dit heeft aanleiding gegeven tot het verven van de preekstoel.

De brede trap van de preekstoel is van onderen gestut omdat er beweging in was gekomen. In een oud boekje stond nog vermeld: En terwijl de prediker sprak, ik kom haastelijk tot U, sloeg de preekstoel voorover. Ongelukken worden er niet bij genoemd, wat wel een wonder was.

In het koor van de kerk dat met een houten afscheiding van de kerk is afgesloten, liggen nog enige sierlijk uitgehouwen grafstenen. Voor de deur aan de binnenzijde een grafsteen waarop een miskelk is uitgehouwen, waarschijnlijk van een priester. Twee oude grafzerken dateren van 1621. Hieronder rusten Johan van Laxten, eens pastoor-predikant en zijn vrouw Greta Hoitinga. Daarnaast Johan van Laxten (1644).
Op een andere steen Beno Uden, predikant 1718 met de zinspreuk: Christus is mijn heilig anker. Voorts een nette steen waarop staat, Hermannus Edelinck, geb. 1744 – overl. -1819. Deze was te Holwierde 46 jaar predikant en zijn vrouwe Fenne van Eerden overleed te Groningen in 1828. Rijk is deze dominee hier ook niet geworden want toen zijn vrouw naar Groningen verhuisde leende ze eerst f. 6000,– van de fam. Post. Ook is te zien een mooie zerk met prachtige ornamenten, waarop in geheel andere dan gewoon letterschrift: Johannes Rijpma, 1693-1757. Predikant en kerkvoogd gedurende 38 jaar.

Zoals ik enige hiervoor in de kerk begraven mensen beschreven heb, willen we ook nog eens buiten op de eeuwenoude begraafplaats kijken om te zien of er nog iets is overgebleven aan zerken enz. Jawel hoor, teveel om over ieder hiervan te schrijven, maar van sommige kan ik het toch niet nalaten. Aan de oostzijde beginnend een goed onderhouden gedenksteen van Trijntje Berghuis, haar ouders waren eens boer te Uiteinde. Dan een grafsteen van ds. Fokko Mees en zijn vrouw. Ds. Mees was eerst predikant in Uitwierde, aldaar beroepen in 1820. Dit dorp werd evenwel door de uitvallende Fransen verwoest zodat men een combinatie met Holwierde aanging. Ds. Mees kwam ook in Holwierde wonen. Na de opheffing van de combinatie werd ds. Mees per 1 juli 1827 te Holwierde beroepen, hij overleed in 1850.
Dan een grafzerk van Johannes van Weerden, echtgenoot van E.T. Boukema, landbouwer te Kleinwierum, overleden 12 oktober 1868 met aan zijn zijde 3 kinderen op een rij. Van Weerden was geboren te Godlinze op 28 maart 1799. Daar woonde hij met zijn ouders op de korenmolen, later werd hij landbouwer op de grootste van de drie boerderijen die eens op Kleinwierum stonden. Ook zijn zoon T. van Weerden was hier eens landbouwer. Dan een grafsteen waarop men met moeite kan lezen: Eltje Here Bos, geboren 5 mei 1801 – overleden juni 1865, landbouwer en kerkvoogd bij de Hervormde gemeente, echtgenoot van T.M. Waalkema. Deze Eltje werd gedoopt op 17 mei als zoon van Here Eltje en Antje Huiges, echtelieden bij Nansum. Deze mensen woonden geslachten lang op de boerderij nu geheten Olden Bosch onder Nansum maar op oude kaarten staat voor deze zeer oude verhoogde woonstede alleen “Bosch”, heel normaal dus dat deze familie in 1811 de naam van hun woonstee Bos als stamnaam gingen gebruiken. In het jaar 1834 vindt er een scheiding en deling van de boerderij met Friesche schuur plaats. Hij deelt dan de hoeve, groot bijna 37 ha met zijn broer Albert Heeres Bos te Godlinze en zijn zuster Aaltje Heeres Bos, gehuwd met Pieter A. Toxopeüs te Borgsweer. Ieder krijgen ze één derde en Eltje blijft op de hoeve en zijn nageslacht woonde hier tot 1920. Dan koopt L.J. van Weerden de boerderij met ± 26 ha grond.

Verder tot bijna aan de afgraving een nette goed onderhouden grafmonument van Geert Hindriks Post, geboren te Feldwerd op 7 juni 1776, gedoopt den 23 ste juni als zoon van Hindrik Geert Post en Hilje Harms. Hij woonde later op “Grote Nes” en overleed op 4-2-1845. Geert Hindrik Post zijn naam staat op de buitenste rand van de grafsteen gegraveerd, dit ziet men meer op monumenten uit die tijd. Post bezat niet alleen de boerderij “Grote Nes” maar was ook eigenaar van de boerderij “Kleine Nes” en van de boerderij “Kommerstein”. Zijn vrouw Weke Abels Harhuis rust hier aan zijn zijde. Zij was geboren op 17 maart 1796 en overleed 27-2-1881. Ook hun zoon Abel Geert Post en zijn vrouw Ida Ayolts ten Have rusten aan hun zijde. Deze zoon, ook landbouwer op “Grote Nes”, koopt op 17 juli 1856 van zijn moeder Weke A. Harhuis, toen wonende te Bierum en al 11 jaar weduwe van G.H. Post, een huis met schuur met 32 ha en 62 are en 10 ellen land, doende vaste huur f. 160,–, dit was “Kleine Nes”. Tot 1891 bleef deze boerderij in het bezit van deze familie. Dan koopt Reinder D. Smit van Wirdum deze boerderij (thans nog bewoond door hun achterkleinkinderen, de familie Pesman).
Ook koopt A.G. Post een schuur met 42 ha,19 are en 20 ellen land, doende een vaste huur van f. 2509–. Dit was “Kommerstein”. Deze schuur stond toen nog ± 200 meter noordelijker het land in, als de in 1977 door brand verwoeste “Kommerstein”. Samen kosten deze boerderijen toen f. 51.2009,-. Hoe lang de boerderij “Kommerstein” aan de familie Post behoorde, weet ik niet maar nog vele jaren in de 20e eeuw. Op de boerderij “Grote Nes” onder Holwierde woont nog steeds een nakomeling van de fam. Post, n.l. de heer O. Bouman.
Maar nu genoeg hierover. U weet nu welke mensen er een dergelijke grafsteen konden kopen in die tijd.

Vanaf 1580 tot aan de reductie van 1594 is er een strijd geweest onder de bevolking van Holwierde, om onder het juk van Rome weg te komen. De priester Joh. Meerwijk de Grafia werd de eerste protestante dominee. Misschien zijn ook eens de beeldenstormers in de kerk geweest en hebben de beelden, en alles wat met de leer van Rome te doen had, verwijderd.
Van Tomas Iduma, een vroegere monnik uit Spijk, wordt nog vermeld dat deze de beelden uit de kerk van Spijk en Wirdum verwijderde. Later in de 19e eeuw hebben de volgelingen van ds. De Cock zich weer afgescheiden van de Protestanten en hebben in Bierum een kerk gesticht. Met de komst van ds. Hannema scheidden de Vrijzinnigen zich af van de Orthodoxe Hervormden. Deze kerkten tot aan de bevrijding in 1945 eens in de vier weken in het bovenzaaltje van het voormalige café  De Boer, welke tijdens de laatste oorlogsdagen geheel werd verwoest.

De banken in de kerk verwisselden regelmatig van eigenaar. Van een bank onder het orgel tegen het koor, voorzien van het jaartal 1740 en de naam Tjark Payters werd gezegd dat er ± 50 personen aanspraak op maakten.
De bank ernaast met het jaartal 1559 was van de fam. Hofman, eens landbouwer en lid van de Gedeputeerde Staten en wonende te Uiteinde. De overdrachten en de verkoop van de banken werden bij de notaris beschreven. Op 26 november 1836 vindt er een overdracht van een kerkbank plaats. Albert Cornelis Spithorst en zijn vrouw Tjakje Jacoks verkopen hun bank aan Barteld Klasens Bos onder Holwierde, dit mede ten behoeve van zijn vrouw Jantje Jans Oosterdijk.
Tot aan de bevrijding werden de banken per jaar verhuurd of men huurde één of meer zitplaatsen.

Verder over het onderwijs. De oude school stond ten zuiden van de kerk. De inrichting van bet gebouwtje was zo eenvoudig mogelijk. Het schoolgeld bedroeg 5 cent per week, voor diegenen die ook het schrijven wilden leren was dat 75 cent. De onderwijzers waren meestal ook koster van de kerk. Als koster kregen ze de opbrengst van nog al wat land. Dit land wordt op sommige plaatsen nog altijd Kosterijland genoemd. Volgens Ferre Jacobs waren de meesten echte minimumlijders.  Toch hadden sommigen ‘t hoofd te hoog op en maakten zich door hun gedrag in hun dwaze hoedanigheden minder bemind, vandaar dat in het midden van de 18e eeuw hier een boekje met gedichten over werd uitgegeven, getekend n. n.
Hier een gedicht over een koster uit Holwierde:

Holwierd
De coster tot Holwierd’ can al te schandigh liegen,
En soeckt door valsche reén een ander te bedriegen;
Hij is nu al wat oudt en telt vrij menig jaar,
De bloemen van het graf bespeurt men aan sijn haar.
‘t Is schande, dat een man van sulcke oude dagen;
Stelt in bedriegerij zijn uiterste behagen.
In kennis is hij slecht en even als de rest,
Is hij de slimste niet, hij is ook geenszins best.

In 1837 was te Holwierde schoolmeester Berendt Reiner Moedt, hij heeft al spoedig zijn betrekking opgezegd en liet een koren- en pelmolen bouwen. Dit was de molen van Norden, welke tijdens de bevrijding door de Duitsers vanaf Nansum in brand werd geschoten. Meester Moedt werd opgevolgd door Berend Jasperts Zuidhof, die in 1841 overleed. Daarna kwam Hindrik Johannes van Belkum, welke een bekwaam onderwijzer schijnt te zijn geweest. Hij deed naast zijn werk veel voor het dorp. Hij was de eerste secretaris van de in 1866 gestichtte algemene begraafplaats. Hij overleed in 1870. Ook had hij een groot aantal onderwijzers opgeleid. Deze hebben uit dank een mooie gedenksteen op zijn graf laten plaatsen. Na hem kwam de heer P. Kuipers, voorheen onderwijzer te Krewerd, op een jaarwedde van f400,–. Dit werd toen al door de gemeentelijke overheid geregeld.

De zuidzijde van de wierde is altijd behoorlijk bewoond geweest, rond 1850 werden veel houten huizen vervangen door stenen woningen, zodat deze buurt een beetje een stads aanzien kreeg, vandaar de naam Nieuwstad. Hier huisden ook lange tijd grote gezinnen. Aan het eind van de weg naar de Heekt stond lang de woning van turfschipper Filippus Bakker. Voor de opslag van de turf stond er een grote schuur naast. Ook op die plek stond ongeveer 70 jaar lang de melkfabriek De Toekomst. Hiermee was men al in 1898 aan de andere kant van de Heekt begonnen, nl. in de schuur van de Fam. De Boer.
Een van de eerste directeuren was de heer Boekel, later veehouder te Uitwierde. In 1928 had men al een melkaanvoer van 3.399.096 kg met een gemiddeld vetgehalte van 3,6%. Hiervoor ontving de boer ong. 8 cent per liter. Directeur was toen de heer R. Tjalma. De melk werd jarenlang per hondenkar van de boerderijen gehaald en langzamerhand werd het een behoorlijke fabriek, maar in het jaar 1970 werd het door de melkfabriek te Bedum overgenomen. De toenmalige directeur was dhr. Woldring. Later werd de fabriek gesloopt. Op een vrijdagmorgen om 11 uur ging de fabriekspijp tegen de vlakte. Op de plaats van de fabriek werd de Boerenleenbank, later Rabobank gebouwd.

Tot na de 2e W.O. was het in het haventje van de Heekt een drukke bedoening. Het korenschip van J.v.d. Linde en van J. Teuben werd meestal twee keer per week beladen met koren dat naar Groningen werd vervoerd. Vanuit Groningen werden weer allerlei spullen meegenomen. In de herfst lag er vaak een bietenschip en turfschipper Blanken bracht turf aan de man. Ook lag er wel eens een schip met grind voor de wegen van de gemeente, maar ook dit alles is voorbije glorie.

Aan de overzijde van de Hoofdweg stond eens de molen “De Hoop”, volgens een dorpsgids gebouwd in 1851, door wie weet ik niet, maar op 14 juli  1880 is er een openbare verkoping. Edse Derks Mulder te Holwierde verkoopt zijn hout-zaag- pel- en roggemolen met erf, houtstek, bergplaats en balkgat voor de som van f 5.000,–. Koper is dan Harm Willem Bleeker te Garrelsweer. Een woonhuis met vaste beklemming koopt Willem Arends Ritsema, landbouwer op “Ooster Feldwerd” te Holwierde voor de somma van f 2.990,–. Voor 2 stukken land die Mulder wil verkopen, wordt maar f 2.830,– geboden. Dit vindt hij te weinig en het land wordt niet gegund. Mulder deed als molenaar zijn beroep eer aan want een molenaar werd ook wel mulder genoemd. Naast molenaar was Mulder, net als de fam. Bleeker die dit ook jaren waren, landgebruiker. De molen brandde jammer genoeg een half jaar na de bevrijding, oktober 1945, geheel af.

In het verlengde van het Stenen Pad lag tot de jaren dertig een houten loopbruggetje over de Heekt. Een pad liep via dit brugggetje rechtuit naar de westelijke ingang van de kerk. Later is dit vervangen en kwam er een loopbruggetje over de gracht die op de Hoofdweg uitkwam.

Het gebouw Tabor stond ook op een eilandje, verbonden met twee bruggetjes naar het vaste land, één naar de Hoofdweg en één naar de Pastorie. Dit gebouw werd eens geschonken door Ds. Hannema.

En hiermede beste lezers ben ik in 14 afleveringen met u rond Holwierde gekomen. Ik wil hier dan ook mee eindigen. Ik hoop dat ik met dit schrijven niemand te na ben gekomen en mocht ik iets niet goed hebben vermeld, laat het me dan eens weten.

Nansum, 12 februari 1985.
H. Stoppels, Dijkweg 10.