Holwierde


“Uit het duistere verleden”
Serie artikelen geschreven door wijlen dhr. H. Stoppels te Nansum en oorspronkelijk geplaatst in de dorpskrant “Aan weerszijden van De Heekt’ tussen februari 1981 en maart 1985.

Hoe het begon….
Holwierde is nu een dorp op en rond 3 kleine wierdedorpjes. De eerste bewoners van de toen nog maagdelijke kweldergronden zullen, al voor onze jaartelling begon, Holwierde ontdekt hebben, want aangenomen mag worden dat tussen 400 – 600 jaar voor Christus al met de bouw van de wierden is begonnen. Daar de zeespiegel toen nog ± 2 meter lager moet zijn geweest, kon men zo op de vlakke kwelder wonen. Waren de eerste bewoners misschien jagers of vissers? Of mensen die van de hogere zandgronden door honger of doordat er steeds meer mensen van de jacht of van wat het land opbracht moesten leven en zo in de zomers naar de kwelders in het noorden trokken?

Misschien is men in het begin wel jaarlijks op en neer gereisd en het zal gebeurd zijn dat, als men terug kwam, hun plaatsje bezet was door anderen en dan kwam het wel eens tot een gevecht of dat men dan zwijgend verder trok en men een ander plaatsje vond, misschien nog wel eens beter dan dat men had gehad, want er was ruimte genoeg op de kwelders. Men zal voor vervoer en verplaatsing veel gebruik gemaakt hebben van de vele prielen en de kleine riviertjes die door het landschap stroomden, want dagelijks werd het eb en vloed en dit zal waarneembaar geweest zijn ver landinwaarts. Men kon zich hierdoor per vlot ook gemakkelijk verplaatsen en zo kan men nu nog zien dat bij iedere wierde wel een priel of riviertje in de buurt geweest is en daar ook de oeverkanten (door aanslip) niet-de laagste plaatsen in het landschap waren was het hier goed wonen.

Zo zal ook eens het leven op de wierden aan weerszijden van ons riviertje De Heekt zijn begonnen. Eerst zo op de open vlakte, levend van de jacht en van de visvangst, want vissen kon men zo pakken als het water terug was gestroomd naar de zee. Er waren altijd wel wat platvissen die waren achtergebleven en al heel gauw zal men aan de landbouw en veeteelt zijn begonnen en waar de mens vertoefde bleef ook vanzelf iets achter en toen men met de veeteelt en landbouw begon kwam er stro en mest op en rond de woonplaats. De mest zal men vaak met wat zoden gebruikt hebben voor de dijkjes, of dat men hiermee een gedeelte van de wierde ging ophogen; men zal ook wel gauw tot de ontdekking zijn gekomen dat als men op de kwelder wilde blijven wonen, dat de woonplaatsen hoger op moesten. Zo ontstonden de wierden: Katmis tot 268+ Nap, Holwierde bij de N.H. Kerk tot 282+ Nap en Bantsum tot 329+ Nap. Geen reuzen dus zoals Godlinze die het tot plm. 6.40 meter boven het Nap gebracht heeft.

Doordat het ijs aan de Noordpool langzaam smolt, ging de zeespiegel omhoog en daar bij storm de vloeden hoger werden, zal er bij menige kwelderbewoner wel eens angst zijn opgekomen. Misschien hebben ze er wel eens aan gedacht weer naar de hogere gronden, waar eens hun voorvaderen vandaan waren gekomen, terug te gaan, maar men heeft ook ingezien dat wonen op een hogere wierde goede levenskansen bood.

Zo kon de natuurvorser, magistraat, officier, schrijver en raadgever van de Romeinse keizer Vespasianus, de Romein Plinius, dan ook met eigen ogen zien hoe de toenmalige wierdebewoners leefden. Hij kwam als officier in het jaar 47 na Christus, tijdens een strafexpeditie naar de afgelegen kuststreken aan de Eems, toen het land van de Chauken.

Naar mijn mening is het in de wintertijd geweest. Hij schreef namelijk dit: daar in het hoge noorden wonen mensen in armzalige hutten op opgeworpen hoogten. Twee keer per dag wordt hun woongebied door het zeewater overstroomd. Je vraagt je af, of deze mensen nu op het land of in de zee wonen. Zij lijken op zeevaarders als het water de omgeving bedekt en op schipbreukelingen als het terug is geweken. Ze maken rondom hun hutten jacht op vissen die bij eb worden teruggevoerd. Van zeewier en biezen vlechten ze touwen waarvan ze visnetten knopen. Het slik, dat ze met de handen verzamelen, drogen ze meer in de wind dan in de zon en op deze wijze verwarmen ze hun spijzen en hun door de noordenwind verstijfde ledematen. Ze hebben geen vee en geen melk. Hun enige drank is regenwater, bewaard in putten bij de ingang van hun hutten.
Dit was dus niet veel wat Plinius over onze voorouders te vertellen had. Misschien is hij in een streek geweest waar men meer van de visvangst dan van de landbouw leefde.

Uit deze beschrijvingen kan men dus opmaken dat de hoogten er 47 jaar na Christus reeds waren. Plinius is om het leven gekomen in het jaar 79 na Christus bij een uitbarsting van de Vesuvius.

Uit allerlei opgravingen en afgravingen van wierden is gebleken dat de wierdebewoners altijd met vee hebben geleefd. De groei van de wierden heeft geduurd tot ± 1200 jaar na Christus. Hierna kwam langzaam maar zeker de dijkbouw van de grond, maar voor men met de thans bestaande dijken is begonnen is er nog heel wat zout water over de kwelders gestroomd. Menige bewoner vond de dood in de golven die bij stormvloeden over het ons zo dierbare Groningerland raasden. Vroeger had men de gewoonte overstromingen te noemen naar de heilige, die op de dag van de vloed volgens de heiligenkalender werd geëerd. Er waren te weinig heiligen om al de vloeden uit het verleden een naam te geven. Onze wierden lagen niet ongunstig ten opzichte van de vloeden, opkomende uit het noordwesten, vandaar dat ze niet het eerste aan de beurt waren om overspoeld te worden.
Na de Allerheiligenvloed van 1570 is Noord- Europa nooit door een grotere overstromingsramp getroffen dan de Kerstvloed van 1717. Dit was de grootste overstromingsramp sinds vier eeuwen.

In Groningen en Ommelanden verdronken 2091 mensen, aan huizen gingen 1455 en aan vee 11457 stuks verloren. In Oostfriesland verdronken 2787 mensen terwijl er 2848 huizen werden vernield en aan vee gingen 9514 stuks verloren. Te ‘t Zandt, Godlinze, Spijk, Bierum en Holwierde verdronken er in totaal 205 mensen. Het platteland werd tot één woeste zee herschapen. In de stad Groningen kwam het water op sommige plaatsen 60 cm hoog te staan. Een grote reddingsactie kwam van hieruit op gang voor het platteland en stond onder leiding van de heer Thomas van Seeratt (commies en provinciaal van de Groninger Waterstaat). Reeds de volgende dag liet hij een veertigtal schepen uitvaren om de plattelanders te redden van de hooibergen, zolders en daken. Ook liet hij enkele bruggen in de stad Groningen afbreken en een weg buiten de poort doorsteken zodat de schepen tot in de stadsgrachten konden zeilen. Nog dezelfde middag kwamen al tientallen schepen terug, met aan boord tot op het been verkleumde slachtoffers. Ook had men goederen, loeiende koeien en blatende schapen aan boord. Helaas voeren er ook gemene lieden uit, naar zij zeiden om verkleumde en hongerige mensen te redden, maar zij drongen de verlaten huizen en boerderijen binnen om te plunderen. Van Seeratt was hierover zo woedend, dat men de volgende dag alleen mocht uitvaren met een vaarbevel van hemzelf.

Enkele verslagen over verdronken en geredde mensen:

Een inwoner van Tinallinge moet met zijn vrouwen en drie kinderen op een stuk dak van zijn huis gedreven zijn naar Kolham. Op ‘t land van Jacob Egberds/ waar hy geborgen wierd/ zijnde sijn Vrouw met de drie Kinderen door de koude van ‘t leven berooft/ welke te deeser plaatse op ‘t kerkhof aan de aarde eerlik ter rustplaats zijn bestelt.

Beerent Claasen en sijn Vrouw met vier Kinderen/ zijn van Wester-Nieuwland op een bultje hooy/ gedreven tot digt by Bedum/ ‘t welk omtrent drie uren van malkander is geleegen/ en aldaar behouden aangekoomen.

Ook duiken in de kronieken over de Kerstvloed berichten op over dieren die heel broederlijk samen over het water voeren.
Zo moet er een man met zijn drie kinderen, een haas en een kat op een stuk huis van Uitwierde / tot in de Scheemder-Hamrik zijnde de verte van vierdehalve uuren gaans/ zijn voortgedreven. De man en de kinderen konden zich redden in de moestuin van een zekere Albert Hindriks, maar de haas en de kat zijn verder gevaren/ sonder te wieten waar deese dieren daarnaa moogen zijn gebleeven/.

Maar we zijn nu toch wel ver buiten ons eigen dorp gegaan. Om nog even bij de begintijd van onze dijkbouw stil te staan: die is begonnen omstreeks 1000 of 1200 jaar na Christus maar zekerheid hieromtrent heeft men niet. Vermoedelijk heeft men eerst een dijkje van de ene wierde naar de andere wierde gelegd. Zo wordt aangenomen, dat de nu nog bestaande oude weg van Oosterwijtwerd via Arwerd, Krewerd naar Holwierde eerst een kleine dijk is geweest, die tevens dienst deed als weg. Het land aan de landzijde werd als bouwland gebruikt voor het verbouwen van erwten, bonen, koren, enz.
De kleine dijkjes moesten deze gewassen vooral beschermen tegen de zomervloeden. Later werden deze dijkje ook wel kadijken (grens tussen wel en niet ontgonnen land) genoemd.
Het vee weidde men op de kwelders. Op deze kwelders had men wel verhogingen aangebracht, waar men het vee naar toe bracht als het land werd besprongen door de zomervloeden. Deze plaatsen noemde men wel vluchtheuvels.

H.S.