Holwierde


“Uit het duistere verleden”
Serie artikelen geschreven door wijlen dhr. H. Stoppels te Nansum en oorspronkelijk geplaatst in de dorpskrant “Aan weerszijden van De Heekt’ tussen februari 1981 en maart 1985.

Feldwerd of Feldwirth
Feldwerd was eens een klein dorpje ten westen van Katmis. Het ontstaan hiervan is misschien wel op dezelfde wijze gegaan als van alle wierden. Ook deze wierde is ontstaan vlak bij een zeer oude waterstroom, de Kleine Heekt of ook wel de benedenloop van de Apt. Hier werd misschien eens Hathebrand op 30 juli geboren (het jaar weet ik niet). Hij overleed in 1198 en in de Historie van Groningen kan men lezen, dat hij hier in 1183 van zijn ouderlijk huis te Feldwerd een klooster heeft gesticht, gewijd aan Petrus en Paulus, nadat hij het Benedictijner leven als monnik in de Sint Paulus Abdij te Utrecht had leren kennen. Ook stichtte hij een klooster te Thesinge. In een ander schrijven kan men lezen dat hij 3 kloosters heeft gesticht en dat hij een rijke jongeling was. Hij was dus de grondlegger van Oldenklooster en hiervan de eerste abt. De naam Oldenklooster komt dan ook al voor op al de oude kaarten van het Groningerland, zelfs al op een kaart van 1559. Ook Holwierde staat hier op, zodat men wel denken kan dat de naam Feldwerd toen geheel is verdwenen. Groot is de invloed van de klooster in het Groningerland geweest. De benedictijnse monniken leefden vooral van het in cultuur brengen van het land. Ook de bekende kloosterstenen hebben zij gebakken, eerst voor het bouwen van hun eigen verblijven en later misschien wel voor de verkoop. Zo konden dan de welgestelden ook een stenen huis bouwen. Ook deden ze veel aan dijkbouw en hierdoor kregen ze veel land in beheer, waardoor hun invloed zeer groot werd. De kloosters hadden ook voorwerken. Van hieruit werkten dan de monniken aan de landbouw en de bedijking. Zo’n voorwerk was te ver van het moederklooster verwijderd, zodat men niet dagelijks te voet op en neer kon. Het hele gebied tussen Katmis, Krewerd, Losdorp en Godlinze behoorde bij het klooster te Feldwerd en nog loopt er vanaf Feldwerd een zeer oude weg richting Godlinze. Deze heet de Stelterweg en men passeerde toen het Losdorpstermaar op ± 1 km. zuidelijker dan nu; hetgeen nog duidelijk zichtbaar is. Pas in de helft van de vorige eeuw werd er een brug gebouwd die er nu nog ligt.
Vanaf Godlinze ging men richting Kolhol. Hier staat nog een boerderij die Feldwerder Voorwerk heet. Te Kolhol werkten ook de monniken van klooster Bloemhof te Wittewierum. Ook kan men lezen dat het klooster te Feldwerd in 1453 zijn voorwerk Den Hoorn aan de noordzijde van het Maar gelegen, opnieuw bedijkte. Dit gebied ligt te noorden van Kolhol richting Oosternieland. Hier ligt nog een weg die Hoornsterweg heet. Men schepte zelf het overtollige water uit de polder. In 1557 gaf men de eigen waterlozing weer op en de waterbeheersing ging over naar de Schepperij te Westeremden. Voor het droog houden van het land moest natuurlijk betaald worden en wee de pachter van het land, die in die dagen niet betaalde.
Ook had men een groot voorwerk te Hoog-Watum. Dit voorwerk lag op een schiereiland omringt door het water van de Eems aan de oostkant en westelijk stroomde het riviertje de Heekt die in de Eems uitmondde.
Er was al een wierde van ± 3.50 m. boven NAP. Deze wierde is nu geheel in de thans bestaande dijk verdwenen. Het voorwerk kreeg het aanzien van een klein dorp. Men mocht van het klooster hier een eigen kapel stichten en de overledenen werden rond de kapel begraven. Van hieruit werkten de monniken aan de bedijking van de Eems en zeker zullen zij ook de Heekt hebben afgedamd. Dit deden ze door het riviertje haaks af te dammen en zo zijn eens de nog bestaande bochtige zeedijken ontstaan. Hier lag ook lang nog een stuk slaperdijk. Deze liep van Hoog-Watum naar het zuiden. Of dit dijkje was ontstaan om de Heekt te beteugelen of dat het een voorloper was van de huidige zeedijk, dat weet ik niet. Het dijkje is met de laatste dijkverzwaring van 1969 geheel verdwenen.
Het land tussen de beide dijken behoorde tot de dijkverzwaring van 1969 voor het grootste deel toe aan het Rijk en werd aan verschillende boeren verpacht.
Door zijn wonderlijke ligging is Hoog-Watum in vroegere dagen een twistpunt geworden tussen Oldenklooster en de kerk van Holwierde. Zij hadden in 1568 ruzie om de kapel en om het bezit van de 32 grazen land dat er toe behoorde. Dit land lag in het kerspel van Holwierde en was een voorwerk van het klooster te Feldwerd. In een verhaal uit 1569 word nog vermeld dat de kapel, die aan Sint- Nicolaas was gewijd, in een zeer slechte staat verkeerde en in letterlijke zin tot beestenstal was gedegradeerd, terwijl ze er vroeger juist zeer goed had uitgezien en met een besloten kerkhof omringt was geweest.
Het mogen hebben van een begraafplaats was een recht dat apart moest worden verleend en behoorde niet automatisch tot het recht hebben van een kapel. Ook Bierum heeft eens haar recht op Hoog-Watum laten gelden, want volgens de rekeningen van de voormalige kloostergoederen, wanneer deze kerspelgewijs gerubriceerd zijn, ligt Hoog-Watum in de kerspel van Bierum, wat ook betekende dat het tot het dekenaat van Loppersum behoorde en niet tot de proosdij van Farmsum. Deze grens ligt circa 500 meter ten zuiden van de wierde. Hieruit kwam weer naar voren dat de kapel bij het grondgebied van Nijenklooster (Krewerd) zou behoren. De thans nog bestaande boerderij Hoog-Watum, circa 400 meter ten westen van de wierde, kwam eigenlijk als enige in aanmerking als de voormalige uithof van het voorwerk van het klooster te Feldwerd. Waar eens de kapel met alles wat er bij behoorde stond, bleef al gauw niet veel meer over dan alleen een boerenbehuizing die met alle andere kloosterbezittingen zo rond 1594 overging naar de Provincie. Toen is men ook met de administratie van het voormalige kloosterbezit begonnen en in het jaar 1595 wordt van de pachter Pieter Harmens gezegd dat hij woont in de bewaar eerder de zusters (nonnen) woonden. Hieruit kan worden afgeleid dat het om het voorwerk van het klooster te Feldwerd gaat. De landerijen werden in drie gelijke delen verpacht en van één van deze pachters, een zekere Coop Wuninck, wordt nog vermeld dat hij nog andere landerijen van het voorwerk pachtte, land van de huidige boerderij Hoog-Watum.
Maar ook de provincie is weer tot verkoop overgegaan van de meeste kloosterbezittingen, o.a.het oude Hoog-Watum. Een bekende eigenaar hiervan is de familie Smit, die hier lang het boerenbedrijf uitoefende. De laatste bezitter was de heer Voos. Deze verkocht het weer aan de provincie en het geheel is in het huidige dijklichaam verdwenen. Bij de dijkverzwaring in mei 1969 werden we nog even opgeschrikt toen een draglinemachinist menselijke skeletresten vond. Allerlei instanties werden ingeschakeld want men dacht hier aan een in de oorlogsjaren vermoorde joodse familie, maar al gauw bleek dat het om een middeleeuws grafveldje ging, welke eens behoorde tot de hierboven beschreven kapel. Het oude Hoog-Watum is altijd op het dorp Holwierde georiënteerd geweest. Tot aan de tweede wereldoorlog werd ook de post bezorgd door de postbode uit Holwierde, maar zoals ik al eerder schreef is alles verdwenen, ook de beide huizen op het zuidelijkste stuk van het slaperdijkje zijn met de dijkverzwaring verdwenen.

Nu nog even terug naar het moederklooster te Feldwerd. Het bezit van de kloosters was zeer groot en toen het overging naar de provincie in 1594 hadden de 24 kloosters 36.180 ha. grond. Dit was ongeveer een kwart van alle cultuurgebied in de provincie Groningen, verkregen door inpolderingen en schenkingen en volgens Menco, abt van Wittewierum, door o.a. goede voorlichting die de abt gaf en die door de leken en aanzienlijken naar behoren werden opgevolgd. Het godsdienstig leven was waarschijnlijk erg emotioneel, vervuld van angst voor hel en vagevuur. Door de schenkingen kon er door monniken voor hen gebeden worden. De keerzijde van de medaille was echter, dat de kloosters daardoor al te zeer verstrikt raakten in de wereldse zaken en mede door hun rijkdom konden ze de weelde niet dragen.
In de veertiende eeuw begonnen hierdoor de grote vetes tussen de diverse hoofdelingen en kloosterlegertjes. Deze maakten zich schuldig aan doodslag, plunderingen en zeeroof, die tot de normale krijgsmethoden behoorden. De kloostertucht had onder dit alles veel te lijden zoals blijkt uit een bul van paus Gregorius de 12e uit het jaar 1412 over de 22 Friese Benedictijnse kloosters waarin in bijna alle godsdienstige zin, observatie van de kloosterregels en vrede Gods verdwenen is en waarin wellust en ontucht tussen de mannen en de vrouwen van de kloosters zelf was. Nog vele andere uitwassen, die de eerbaarheid ons gebiedt niet te vermelden, zijn hand over hand toegenomen, aldus Gregorius de 12e. Of het ook zo gegaan is te Feldwerd, we weten het niet. Wel weten we dat de kloof steeds groter is geworden tussen de gewone mensen en de kloosterlingen. Hun meningen wilden ze met allerlei tucht op de gewone man overbrengen en dit paste ons Groningers helemaal niet. De Watergeuzen hebben eens een plundering uitgevoerd te Feldwerd, waarvan Keuning in zijn boek over Frans Scheur schrijft: dat de arme nonnen als schapen in hun verblijf werden gedreven. Nog geen uur verbleven de Geuzen te Feldwerd, maar het was lang genoeg om het klooster te plunderen. De abt was gevlucht, de gevangenen werden bevrijd en de verdedigers van de abt werden gevangen genomen. Deze werden onderweg gebonden achtergelaten en de Geuzen gingen vlug weer terug naar de schepen die op de Eems lagen, want men was bang voor de soldaten die te Delfzijl en te Appingedam lagen.
De dag daarop moeten de Geuzen in het Duitse plaatsje Norden zingend door de straten hebben gelopen als nonnen verkleed. Geen goed einde dus. Het oude vervallen klooster is later afgebroken en de wierde waar ze eens op stond, is voor een groot gedeelte door de landbouwer Steenhuis zo omstreeks 1895 afgegraven en als wierdegrond verkocht. De boerderij Ooster-Feldwerd, ook eens kloosterbezit, stond ook te Feldwerd, niet op de wierde maar rechts in de bocht van de oude weg als men van Holwierde naar Losdorp gaat. Het stuk land wordt nog altijd ” ‘t Ol Haim” genoemd. Later is de boerderij door de familie naar Holwierde verplaatst, meer naar het oosten, vandaar de naam “Ooster-Feldwerd”. Dit even ter verduidelijking, want velen menen dat hier eens het klooster Feldwerd stond.

H.S.

Toevoeging redactie www.holwierde.net:
In 2004 is in opdracht van de Stichting Boerderijenboek Gemeente Bierum, het boek met als titel “De stichter, de stukken en de schenkers van het Oldenklooster bij Den Dam” uitgegeven door Aczon Druk BV, Winschoten.
Dit boek is geschreven door drs. Edze de Boer, historicus en geboren en opgegroeid in Holwierde, met medewerking van drs. Redmer Alma.
Een bijzondere uitgave met zeer veel informatie over de stichter Hatebrand en het wel en wee van het Oldenklooster te Feldwerd.