Holwierde


DE MARIAKERK IN KREWERD

Meer dan duizend jaar geleden was er nog geen sprake van het kerkdorp Krewerd. Op zich bestond de bewoonde wierde van Krewerd toen al wel want vanaf 500 v. Chr. was deze plek al bewoond. Samen met andere wierdedorpen in het gebied kent de streek één van de oudste doorlopende bewoningsgeschiedenissen van West- Europa, met andere woorden: over een periode van 2500 jaar is de streek zonder onderbrekingen bewoond geweest.

De naam Krewerd duidt op een verhoging in het landschap. Werd betekent namelijk: droge plaats in waterig land en Kré is afgeleid van krie, kraai. De wierde werd opgeworpen op een kwelderrug, een natuurlijke verhoging die, tijdens de vorming van de bodem van ons gebied, door de zee en de wind was gevormd.
In de oudheid werd het dorp Crewert en ook wel Crevwort genoemd.

Mariakerk

Stichting

Het laatste verhaal uit de Constinuatio, dit is het vervolg op de 13e eeuwse kroniek van de premonstratenser abdij Bloemhof te Wittewierum en in het zgn. Friese handschrift overgeleverd door de derde kroniekschrijver, vertelt ons de omstandigheden die aanleiding gaven tot de bouw van de kerk in Krewerd. Hiermee is zij de enige kerk in dit gebied waarvan wij het stichtingsverhaal kennen.
Deze gebeurtenis zelf is niet te dateren, maar werd waarschijnlijk opgetekend in het laatste kwart van de 13e eeuw.
Al voor het midden van de dertiende eeuw stond er in Krewerd een borg of steenhuis, de Steenhuusterheerd genoemd. Dit huis lag waarschijnlijk ten zuiden van de huidige kerk en werd bewoond door het zeer vermogende echtpaar Menco en Tyadeke. Ze hadden een zoontje dat ook Menco heette. Op een avond in maart 1250 kwam Menco niet thuis van één van zijn gewone ronde’s te paard over zijn landerijen. Men vond hem met een bebloed hoofd, naast een hoop stenen, levenloos en zo bleef Tyadeke als een rijke adellijke weduwe achter met haar zoontje. Enige tijd later werd haar zoontje Menco ernstig ziek en zijn moeder bad om zijn genezing. Hierbij deed zij de heilige belofte een kapel in Krewerd te bouwen als Menco mocht herstellen. Ook beloofde ze dat ze jaarlijks een som geld aan deze kapel zou schenken. Het bedrag zou in ieder geval zo groot zijn dat men er een priester van kon betalen. Menco herstelde, maar zoals dat meer voorkomt, vergat de moeder haar belofte en schoof de verplichting die zij op zich had genomen steeds maar voor zich uit, in plaats daarvan ging ze op zoek naar een bruid voor Menko.
In diezelfde tijd woonde in Loppersum de rijke weduwe van deken Geiko, Thialdis. Ze had een knappe dochter die goed in de letteren was onderlegd. Dit meisje, Tete ( of Tet), was echter ooit door haar vader Geiko voorbestemd om het klooster in te gaan. Geiko had dit tijdens een ernstige ziekte aan God beloofd en ook had hij gezegd een kapel te zullen stichten. Niettemin deed hij het een noch het ander. Na zijn toch nog onverwachte dood liet Thialdis wel een kapel bouwen die door een monnik van de abdij Bloemhof werd bediend, maar Tete bleef thuis bij haar moeder.
Kort daarop huwde Tete Menco van Krewerd en alles leek voorspoedig te verlopen. Tete werd zwanger maar nog tijdens de zwangerschap werd Menco ernstig ziek en stierf. Doordat ze was verslagen door droefheid beviel Tete te vroeg van haar zoon en dit had weer tot gevolg dat het kind, kort na de geboorte, ook overleed. Diep bedroefd keerde Tete terug naar Loppersum, naar het huis van haar moeder. Niet lang daarna werd ze ongeneeslijk ziek en kwam op bed te liggen. Ze vroeg naar de abt van Bloemhof en van hem ontving ze het ordekleed van de premonstratenzerinnen. Alles wat zij van haar vader had geërfd, schonk ze aan Bloemhof. Enige tijd later stierf Tete en werd ze naast haar man en zoontje begraven bij het klooster Romerswerf ( het latere Rosenkamp en nog weer latere Nijenklooster).
Tussen de beide moeders Thialdis en Tyadeke ontstond hierna grote onenigheid over de erfrechten van het jong overleden vermogende paar. Tete’s moeder meende aanspraken te kunnen maken op de erfenis van Menco. Dit deed Tyadeke veel verdriet, temeer daar zij al heel lang, nog voor de kinderen elkaar vonden, goed bevriend was met Thialdis.
Door al deze gebeurtenissen kwam Tyadeke tot inkeer en besloot alsnog een kapel te bouwen. Zij won advies in bij de deken van Farmsum, de parochianen en priesters van Holwierde en de abt van Wittewierum. Toestemming voor de bouw van de kapel door de parochianen en priesters van Holwierde was nodig omdat de inkomsten van de moederparochie Holwierde zouden verminderen door het verlies van de buurschappen Arwerd en Krewerd, die samen een kwart van het grondgebied uitmaakten.
Uiteindelijk besloot zij de kapel ter ere van Maria, de moeder Gods, te bouwen op haar eigen grondgebied en voorzien van voldoende middelen om haar te kunnen bedienen en onderhouden, over te dragen aan het klooster Bloemhof te Wittewierum. De abt reageerde daarop met: “In nomine Jesu vivas et facias”, dat betekent: “Dat u in de naam van Jezus mag leven en handelen”.
Als stichtster van de kerk verkreeg Tyadeke het collatierecht op de kerk: het recht de pastoor aan de bisschop ter benoeming voor te dragen. Van dit recht deed ze echter ook afstand te gunste van de abdij te Wittewierum.
De kroniekschrijver van de Constinuatio maakt met bovenstaand verhaal de gelovigen duidelijk dat God niet met zich laat spotten en dat gedane beloften gehouden dienen te worden. Hij laat tevens zien dat de taak van een leek zich moet beperken tot de stichting van een kerk in goed overleg met alle betrokken partijen, maar dat de nieuwe stichting vervolgens in handen van de geestelijkheid moet worden gegeven.

Bouw

De datering van het kerkgebouw, die omstreeks 1280 wordt gesteld, komt aardig overeen met haar verschijningsvorm: de spitsboogvorm is overduidelijk aanwezig en bovendien overheerst het verticale element. Het is dus een romano- gotische baksteenkerk welke bestaat uit drie rechthoekige traveeën, die onderling van elkaar afwijken. De traveeën worden door lichte steunberen van elkaar gescheiden. De muurgeleding bestaat uit een boven- en een benedenzone, waarbij de eerste hoger is dan de tweede.
De benedenzone wordt gesierd door spitsbogige spaarvelden, in de middentravee bevindt zich aan de zuidzijde een voormalige ingang. Aan de noordzijde bevindt de voormalige ingang zich in de westtravee. De bovenzone laat telkens een venster zien met aan weerszijden een nis met siermetselwerk. Alleen de middentravee wijkt hiervan af, daar komt alleen een venster voor. Aan de noordkant van de westtravee ontbreekt een blindnis. De vensters en nissen werden alle van een kraalprofiel voorzien. De lage vensters op de grens van koor en schip duiden de plaats aan van voormalige zijaltaren. Iets oostelijker, in de koortravee, is aan de zuidzijde ook een laag venster aangebracht. Geen van deze vensters werd met de bouw voorzien maar zijn in een latere fase
uitgekapt. Bovenin, onder het dak, zijn nog resten van een boogfries zichtbaar. De oostgevel van de kerk had oorspronkelijk een topgevel maar in de 19e eeuw is de bekapping vernieuwd waarbij de geveltop verloren ging. Het onderste gedeelte van deze gevel wordt ook weer door spitsbogige spaarvelden gesierd, daarboven bevinden zich drie vensters, waarvan het middelste hoger is dan de andere twee.

De toren

Mariakerk2
Oorspronkelijk had de kerk geen toren, die werd pas in de 15e eeuw tegen de westzijde van het gebouw geplaatst. Aan de noordzijde ervan bevindt zich een traptoren. Buiten is duidelijk te zien dat de toren “koud’tegen de westgevel werd gebouwd: de zone- indeling is nog goed te zien. De toren, die uit twee geledingen bestaat, kreeg in later tijd een westingang. Dat gebeurde vermoedelijk in 1782 toen ook  de galmgaten werden aangebracht van waaruit je op verschillende hoogten een prachtig maar wel winderig uitzicht hebt over Krewerd en het landschap er om heen. Eveneens is in 1782 het oorspronkelijke zadeldak vervangen door het tegenwoordige tentdak.
Ter gelegenheid van de torenbouw is het westelijke meloenvormige koepelgewelf vervangen door een gotisch kruisbooggewelf. Beneden in de toren, die met een wijde spitsboog opent naar de kerk, is een dergelijk gewelf aanwezig.

 

De torenklok van weleer met een wanddikte van wel 10 cm is evenals de klok uit de Stefanuskerk weggehaald door de Duitsers in de W.O.II en omgesmolten. Gelukkig is dit gemis weer hersteld en hangt er weer een klok die goed luiden kan.
Het oorspronkelijke uurwerk in de toren is met de restauratie in 1782 vervangen door een nieuw, geleverd door de stadsuurwerkmaker Veenhof te Groningen.

Restauratie

In de loop der jaren waren de kerk en de toren zodanig bouwvallig geworden dat in de tweede helft van de 20e eeuw het verdwijnen er van dreigde. In 1967 werd door de enige kerkvoogd M. A. Bos het initiatief genomen om de kerk en de toren te restaureren. Dit was te meer nodig omdat er brokken steen uit de muren vielen en de kerk voor de diensten moest worden gesloten. Het gebouw leverde ook gevaar op voor de omgeving en er moest dus een besluit worden genomen. Slopen of herstellen. Men was het er spoedig over eens dat de oudheidkundige waarde van de kerk en de toren groot genoeg was om tot restauratie over te gaan. Toen men het, na enig onderhandelen, ook nog eens werd over de kostenverdeling van de herstelwerkzaamheden, kon men aan de slag. De verdeling was: 55% voor het rijk, dus voor monumentenzorg, 10% voor de provincie, 30% voor de gemeente en 5% voor de Krewerder dorpsgemeenschap. Het laatste percentage, dat voor het dorp, omvatte een bedrag van Fl35. 000. Door de steun van enige fondsen en een eigen bijdrage van de kerk en van het dorp, slaagde men er in voldoende geld beschikbaar te krijgen. In de vergadering van 28 april 1967 ging ook de raad van de gemeente Bierum akkoord ( met zes tegen vier stemmen) en waren alle hinderpalen uit de weg geruimd.

Het interieur van de kerk

De enige ingang van de kerk is aan de westzijde, door de toren. Bij de voordeur ligt een Bremer steen welke in vroeger tijd vermoedelijk dienst deed als altaarblad of mensa. Tijdens de hervorming werd het daar, vermoedelijk uit rancune, neergelegd om zo het roomse geloof met voeten te willen treden. Bij binnenkomst zien we dat de kerk door een doxaal in tweeën is gedeeld, waardoor het koor van het schip is afgescheiden. De koepelgewelven hebben acht ronde ribben die in een rozet samenkomen. Tijdens de laatste restauratie zijn de aangetroffen schilderingen in ere hersteld evenals de baksteenimitatie- patronen. Op één van de ribben is een grappig gezichtje geschilderd.
Op het 15e eeuwse kruisbooggewelf komen plantaardige motieven voor. Verder zijn er op de wanden en op het koorgewelf wijdingskruisen zichtbaar. Rond de vensters werd in later tijd een blokkenbeschildering aangebracht. Op het westelijke schipgewelf is een wapenschild aangebracht, met daarop bouwvakkerattributen zoals een troffel, een bijl, een hamer en een winkelhaak. Bijzonder is het middeleeuwse doxaal, waarop in de 16e eeuw het orgel werd geplaatst. Het doxaal moet kort na voltooiing van de bouw van de kerk opgetrokken zijn. Zeker is het dat het niet met de bouw was voorzien, het verstoort immers de benedenzone van de wand die door spitsbogige nissen versierd wordt. Ook het feit dat de lage doxaalvensters later uitgekapt zijn, duidt op een latere plaatsing. Het doxaal is uit baksteen opgetrokken, waarna het gepleisterd en beschilderd werd. Aan de westkant ervan werden zijaltaren geplaatst, zodat de gelovigen hier zicht op hadden.De lage vensters dienden ter verlichting van die leke- altaren. Het hoofdaltaar zal in het midden van het koor hebben gestaan, achter het doxaal. Van de fundering van het noordelijke zijaltaar trof men tijdens de laatste restauratie nog fragmenten aan. Dat de kerk van Krewerd een doxaal kreeg, wijst erop dat de kerk door de monniken van Wittewierum gebruikt werd. Zij konden zo ongestoord in het koor hun koorgebed houden en de mis vieren, apart van de parochianen.
In de noordoosthoek van het koor bevindt zich een dubbele piscina, dat wil zeggen twee wasbekkens boven elkaar.
Dit type vond ingang in de loop van de 13e eeuw: het hoge bekken was bedoeld voor handwassingen van de priester, het lage voor het reinigen van het vaatwerk en alles wat in direct contact had gestaan met de geconsacreerde hostie en wijn. Eveneens in het koor stond aan de noordzijde een ingebouwd sacramentshuisje waarin de geconsacreerde hostie werd bewaard. De dorpel ervan is nog zichtbaar.
In 1531 werd het doxaal van een houten galerij voorzien, waarna op de tribune het orgel werd gebouwd. Dit instrument is het op één na oudste bespeelbare orgel in Nederland. Na de laatste restauratie is het nu zo goed dat het wordt gebruikt voor concerten en c.d. opnames.MariakerkOrgel2

De maker is helaas niet bekend maar vermoedelijk uit de regio afkomstig. Dat blijkt uit de bouwwijze van het instrument. Het orgelfront vertoont zowel laat- gotische als renaissancistische kenmerken. De orgelluiken zijn met pijpwerk beschilderd, zodat het lijkt alsof het instrument over een groot pijpwerk beschikt.
Onder de frontpijpen bevinden zich 4 opschriften. Deze teksten verhalen over de reparaties die het instrument in de loop der eeuwen onderging. Boven deze 4 opschriften bevindt zich nog een vierkant waarop het volgende staat geschreven: “De Hoog Welgeboren Vrou Margarita Elisabeth Ripperda Dquariere Vrou Der Heerlykheid tot Oosterwytwer met annexe Kaspulen. Als Collatrix tot Kriewert. Heeft dit Orgel Laaten Vernieuwen. Int Jaar. 1731″.
Tijdens de laatste restauratie werden in de blaasbalg  van het orgel fragmenten perkament met teksten over de H. Blasius aangetroffen. De 15e eeuwse fragmenten zijn waarschijnlijk uit een lectionarium afkomstig, een liturgisch boek met onder meer gebeden en heiligenlevens die tijdens het koorgebed werden voorgelezen.
Uit het midden van de zeventiende eeuw stamt de sobere kansel met koorhek. Op de hoeken van de kuip staan getorste zuiltjes en de panelen hebben een boogversiering met opengewerkte wangstukken. Onder de versieringen hierop bevinden zich ook drakenkoppen evenals in het snijwerk boven de kerkvoogdenbank Tussen twee drakenkoppen op het opzetstuk van deze herenbank bevindt zich het wapen der Ripperda’s. De bank dateert uit het derde kwart van de 17e eeuw en de voorstelling op het wapen laat een ruiter te paard zien, van waaruit de naam van de Ripperda’s wel wordt verklaard. Deze zou afgeleid zijn van “Reit zum Pferd da”.
Twee wapens Ripperda onder één kroon staan gegraveerd op de avondmaalsbeker uit 1710 die eens de Krewerder kerk toebehoorde. Het opschrift luidde:”Kerkebeker gemaek als de Hoogh Ed Welgeb vrou Josina Maria Ripperda vrou van Oosterwytwert etc. primaria collatrix was te Crewert 1710″.
In een tijd van financiële neergang van de kerkgemeenschap heeft men deze beker op een kwade dag in het begin van de 20e eeuw moeten verkopen. Ze is nu in het bezit van de Stichting Museum Stad Appingedam.
In het schip en in het koor van de kerk vinden we een aantal grafstenen. Eén daarvan bedekt het graf van Carolus Reneman. Deze ging, tijdens zijn ambtsperiode, over naar het protestantse geloof. Deze priester-predikant werd begraven in het koor met naast hem drie medecollega’s. Zijn vrouw, Anna Reneman ligt begraven in het schip der kerk. (Zou priester Carolus protestant zijn geworden om zijn Anna te kunnen trouwen?)
Eveneens in het schip ligt nog een priester begraven Waarom deze hier ligt en niet in het schip is niet duidelijk. Dat deze pastoor, wegens onenigheid een plaats ontzegd zou zijn op het altaar is niet te bevestigen maar wel mogelijk.
Naast de kerk ligt het kerkhof. Aan de zuidzijde hiervan staat een zuiltje ter nagedachtenis aan de dochter van de laatste predikant van Krewerd: mevr. Dien Sevenster- Meuter. Zij schreef het boekje: Krewerd, Herinneringen en Oude Verhalen 1279-1979. Hierin geeft zij, naast een aanzienlijke hoeveelheid geschiedenis, een goede sfeertekening van Krewerd tussen 1910 en 1920. Zij overleed in 1984 en in overeenstemming met haar wens is haar as verstrooid over het kerkhof naast de kerk.

Het collatierecht

In Krewerd kwam de primaire en later de unica collatrix na de reformatie in handen van het huis Ripperda van Oosterwijtwerd. Deze collatierechten vererfden op Rengers van Farmsum en kwamen daarna aan Johan Hora Siccama van de Harkstede, die zijn rechten in 1837 aan de kerkvoogdij verkocht.
Voordat de hoofdelingen zich bewust werden dat bepaalde conflicten onderling beter voor het gerecht konden worden opgelost, bestond er een vetemaatschappij waarbij conflicten met geweld werden opgelost. Als herinnering hieraan zijn de – in het Groningerland inmiddels verdwenen- mottes, bulten of stinswieren te beschouwen, waarop ooit verdedigbare woontorentjes stonden. Een voorbeeld van zo’n motte was de bult die tot 1907 in Krewerd bij ‘t Noorn lag.

 

De kerkelijke gemeente

De van oorsprong Rooms- Katholieke Mariakapel van Krewerd is na de reductie in protestantse handen overgegaan. Hierbij werd in 1595 de al eerder genoemde Carolus Reneman van pastor predikant. Al snel daarop was de gemeente meer dan 20 jaar gecombineerd met Jukwerd. Daarna zijn de gemeenten weer afzonderlijk gekomen tot 1888, na het emiritaat van Ds. V.d. Helm. Vanaf dit jaar tot aan 1905 was Krewerd- Jukwerd weer een kerkelijke combinatie. Tot aan het jaar 1935 ging zij weer zelfstandig verder, laatstelijk bediend door Ds. Meuter.
Omdat het opnieuw benoemen van een predikant financieel te belastend was, ging men wederom een verbond aan met de vrijzinnige gemeente van Jukwerd. Later sloot de gemeente Appingedam zich bij dit bondgenootschap aan.
In het begin van de jaren ’60 van de vorige eeuw werd de kerkelijke gemeente van Krewerd opgeheven en sinds 1973 heeft de kerk van Krewerd een samenwerkingsvorm met Holwierde. Op 1 oktober 1983 werd de kerk, na grondige restauratie tussen 1967 en 1972, overgedragen aan de Stichting Oude Groninger Kerken.
Het kerkzegel van de Mariakerk te Krewerd is ontworpen in 1985 en laat Tyadeke zien die het godshuis draagt dat ze heeft laten bouwen.
De vroegere geïsoleerde  ligging is voor het kerkje een geluk geweest evenals de waakzame en doortastende mensen welke haar voor de sloop hebben behoed.
En zo is het nog steeds een kostbaar kleinood in het Groninger landschap.

 

Jacqueline de Jonge – Stallaert.

Geraadpleegde literatuur:

– Het Bierumer Boerderijenboek onder redactie van dhr. E. de Boer, 1996
– Bierum, de zes dorpen van de voormalige gemeente Bierum, O. Dallinga
– Voorheen en Thans, dhr. D. H. Ferré  Jacobs, 1909
– Groninger gedenkwaardigheden, A. Pathuis, 1977
– In de voetsporen van Emo en Menco, kroniek van Wittewierum
– De Groninger volksalmanak, J.W. Formsma, 1960
– Kloosterarchieven en het Cartularium van Feldwert uit het Rijksarchief Groningen

Voetnoot:
De artikelen zijn oorspronkelijk geschreven in februari 2003 en geplaatst in het contactblad van de S.O.W. gemeente Bierum- Holwierde- Krewerd en in “Aan weerszijden van de Heekt”, de dorpskrant van Holwierde-Krewerd.
Voor plaatsing op de website zijn de artikelen aangepast in november 2006.